Gevierendeeld

Op zoek naar het industrieel verleden van België en Nederland. Histechnion 17 (1991) 4. Uitgave van de vereniging Vrienden van het Technisch Tentoonstellingscentrum in Delft. ISSN 0922-1018. Redactie-adres: Populierendreef 16, 3137 CW Vlaardingen.

Als klein jongetje al was Jules Arthur Vierendeel (1852) vermoedelijk niet weg te slaan uit de werkplaats van zijn vader, die slotenmaker was in het Vlaamse Grammont. In 1874 verwierf hij "met grote onderscheiding' het ingenieursdiploma aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij werkte mee aan de bouw van het spoorwegstation in Kortrijk en aan de ijzeren torenspits van de kerk te Dadizeele, een voorloper van zijn latere constructies. Hij klom op tot directeur van de technische dienst van de provincie west-Vlaanderen en keerde in 1889 als hoogleraar in de "Résistance des materiaux' terug naar zijn alma mater.

Als goed 19e eeuws ingenieur was Vierendeel een man van veelzijdige interesses. Zo publiceerde hij over de berekening van paalfunderingen, de stabiliteit van constructies, het spanning/rek diagram van staal (waarvoor hij uniforme benamingen voorstelde die internationaal aanvaard zijn), over het knikprobleem van gedrukte elementen enzovoorts. Ook verschenen van zijn hand diverse esthetisch getinte beschouwingen over stedebouw en architectuur, vanuit de huiselijke filosofie dat ""het lelijke per definitie irrationeel is, terwijl wat mooi is vanzelfsprekend rationeel is.''

Maar het wapenfeit waarmee zijn naam tot op de dag van vandaag verbonden blijft is de Vierendeel-ligger, een betonnen brug met een wapening van profielstaal, die zich van de traditionele vakwerkligger onderscheidt door de afwezigheid van diagonalen. Vierendeel kreeg er in 1896 octrooi op en bouwde drie jaar later in Tervuren een proefligger die hij tot breuk toe belastte. Volgens dit principe zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw vooral in België diverse bruggen gebouwd, waaronder een flink aantal over het Albertkanaal in de jaren dertig.

In het jongste nummer van Histechnicon, het vriendenblad van het Technisch Tentoonstellingscentrum in Delft, staan deze bruggen uitvoerig beschreven, compleet met foto's en werktekeningetjes, waarop is aangegeven hoe in de staven van de Vierendeelligger behalve normaalkrachten ook buigende momenten optreden. Die zorgen ervoor dat de ligger belasting kan dragen. (Dit in tegenstelling tot de gewone vakwerkligger, waarbij het vooral om normaalkrachten draait). Groot voordeel van het nieuwe type brug was volgens de ontwerper vooral de mogelijkheid om de op het gewapende staal uitgeoefende krachten veel nauwkeuriger dan voorheen te berekenen. De grootte van de buigende momenten hangt af van de dwarskrachten die in de ligger optreden en zijn daarom groot bij de opleggingen en klein in het midden.

Achteraf gezien, zo valt te lezen in Histechnicon, had Vierendeel het helemaal bij het verkeerde eind. Zijn argumentatie was niet overtuigend en de bewijsvoering niet sluitend. Vermoedelijk vond hij zijn eigen ontwerp in de eerste plaats gewoon erg mooi, niet voor niets liet hij zijn octrooi aanvraag vergezeld gaan van een prachtige tekening van een fraai aangeklede brug. Hij ging echter voorbij aan het feit dat buigende momenten nu eenmaal veel meer materiaal vragen dan normaalkrachten, bovendien veroorzaken ze grote vervormingen en maken de ligger dus minder stijf, wat men alleen door een overmaat aan materiaal kan compenseren. Dat wordt dus een grote, zware, dure en minder sterke brug.

In de winter van 1838 stortte de Vierendeelbrug over het Albertkanaal bij Hasselt zomaar ineens in, zonder dat hij belast werd, andere bruggen vertoonden in januari 1940 plotseling grote scheuren. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit niet rechtstreeks aan het brugontwerp lag, maar aan het daarbij toegepaste elektrisch lassysteem, een nieuwigheid in die dagen. Van het gevaar van materiaalbrosheid zoals die in de buurt van een elektrische las kan gaan optreden bij lage temperaturen had men helaas nog geen idee. Het is spijtig voor Vierendeel, die kort daarop op 88-jarige leeftijd stierf, dat hij van het instorten van zijn geesteskinderen nog net getuige moest zijn.

Verder in Histechnicon een mooi verhaal over vier oude Belgische scheepsliften, "stuk voor stuk juwelen', een stukje Maastrichtse keramiekgeschiedenis en een onderhoudend betoog over de vraag hoe een relatief arm land als België begin 19e eeuw zo razendsnel ko uitgroeien tot de tweede industriële natie van de wereld, terwijl men in het rijke, handelskapitalistische Nederland nog tot diep in de negentiende eeuw thuis met de spintol op schoot zat.

Al deze bijdragen zijn tot stand gekomen dankzij een industrieel-archeologische studiereis, voorjaar 1990, door Nederlands Limburg en Wallonië. ""Een verleden in verval maakt diepe indruk'', schrijft dr.ir. H. Lintsen, hoogleraar in de geschiedenis van de techniek in Eindhoven en Delft, daarover. ""Waar nog niet lang geleden het ijzer gegoten, gewalsd, gesmeed en bewerkt werd, daar resten nu alleen nog gigantische kale hallen met ingestorte daken waar de wind vrij spel heeft, het zonlicht de gloed van het smidsvuur vervangt en de natuur langzaam het verloren gegane terrein weer herovert. Ook de techniek is vergankelijk.''

Stemmige gedachten in het slotnummer van een tijdschrift. Dit is de laatste uitgave van Histechnion. Met enige weemoed blikt de redactie terug op de ruim tien jaar waarin het blad, eerst als H-nieuws en later onder de huidige titel, verscheen om, zoals voorzitter dr. T. Dijs dat zo mooi formuleert, de band tussen de leden van de vereniging Histechnica te markeren. Inmiddels heeft de redactie van Histechnion samenwerking gezocht met een verwante instelling, de Stichting Industriële Archeologie Nederland (SION), uitgeefster van het blad Industriële Archeologie. In maart 1992 moet het eerste nummer van het nieuwe gemeenschappelijke kwartaaltijdschrift Erfgoed van de persen rollen. Het moet een zonder winstoogmerk uitgegeven cultureel-wetenschappelijk tijdschrift worden over ons industrieel en technisch erfgoed in de ruimste zin des woords. We zijn benieuwd.