Geen toetsende rol voor het OM; Geneeskundige Inspectie aangewezen instantie voor controle op euthanasie

In de praktijk is de arts, die een euthanasiegeval heeft gemeld, niet langer strafbaar, mits hij daarbij zich heeft gehouden aan de zorgvuldigheidscriteria. Het is dan ook de vraag of het Openbaar Ministerie nog langer als toetsende instantie dient op te treden.

In het debat over de euthanasiekwestie is één van de kernvragen of euthanasie strafbaar gesteld dient te blijven. Het kabinet is blijkens de brief van 8 november 1991 aan de Tweede Kamer deze mening toegedaan. Het standpunt van de bewindslieden luidt kort samengevat: handhaving van de huidige strafrechtelijke bepaling, waarbij de rechter de reikwijdte van deze bepaling zal blijven vaststellen (zoals bij die gevallen waarin toestemming van de patiënt ontbreekt), waarbij het Openbaar Ministerie de toetsende instantie is en waarbij de meldingenprocedure wettelijk wordt vastgelegd.

In het parlement mag de discussie over de strafbaarstelling nog intensief worden gevoerd, de praktijk heeft deze vraag reeds beantwoord, waarbij de door de rechter geformuleerde zorgvuldigheidscriteria bepalend zijn en waardoor het bereik van de strafbepaling ernstig is ingeperkt. Immers gedurende een aantal jaren is een decriminaliseringsproces aan de gang, dat ertoe heeft geleid dat de arts, die een euthanasiegeval aan Justitie meldt, niet langer als verdachte wordt aangemerkt, tenzij...

Dit proces werd ingezet met de beslissing om de arts niet langer als verdachte aan te wijzen, wanneer hij een door hem gepleegde euthanasie had gemeld aan Justitie. Werd door het Openbaar Ministerie vastgesteld dat de arts had gehandeld binnen de grenzen van de door de rechter geformuleerde criteria, dan werd deze arts meegedeeld dat hij of zij niet in een strafrechtelijk onderzoek zou worden betrokken. Daarmee was de kwestie afgehandeld. De arts was niet als verdachte aangemerkt, noch in de parketregisters als zodanig ingeschreven.

De landelijke meldingenprocedure van november 1991 had tot gevolg dat de politie zelfs geen onderzoek meer verricht. Concreet komt het erop neer dat thans een arts na melding van een door hem gepleegd euthanasiegeval eerst dan als verdachte in een strafrechtelijke procedure wordt betrokken, wanneer is vastgesteld dat van een afwijking van de criteria sprake is. In alle andere gevallen is er een justitiële toetsing zonder dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Kortom, werd een euthanasiegeval een aantal jaren geleden als een strafzaak opgevat en als zodanig behandeld, thans is de praktijk gegroeid dat de arts - na melding van een euthanasiegeval - ongestraft blijft, tenzij bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Ik wijs op de twaalfhonderd gevallen, die in de jaren 1985-1990 aan Justitie zijn gemeld en waarvan er slechts drie (twee in 1986 en een in 1987) niet buiten vervolging zijn gesteld of zijn gebleven. Dit waren geen beslissingen van individuele officieren van justitie, doch uiteindelijk beslissingen van de vergadering van procureurs-generaal.

Dit betekent dat de beslissingsruimte van het parlement over de strafbaarstelling dan ook niet zo groot is. Afwijzing van het voorstel betekent opheffing van de strafbaarstelling. Instemming door de Kamer vormt daarentegen een belangrijke bijdrage tot het verkrijgen van duidelijkheid en ondubbelzinnigheid in de besluitvorming op het punt van euthanasiegevallen. Daarmee wordt de huidige praktijk een vaste regel, waarbij de criteria niet langer ijkpunten zijn aan de hand waarvan beoordeeld dient te worden of een arts ongestraft dient te blijven, doch zijn het randvoorwaarden geworden, waaronder de arts geen strafrechtelijke dreiging meer heeft te vrezen. Want ook al bepaalt het opportuniteitsbeginsel in het strafrecht dat het Openbaar Ministerie vrij is te bepalen welke gevallen ter berechting aan de strafrechter worden voorgelegd, in sommige gevallen dient het OM te motiveren waarom die zaak ter terechtzitting wordt aangebracht. Dit geldt vooral wanneer door het OM wordt afgeweken van een door het OM te hanteren beleidsrichtlijn voor het recht van strafvervolging. In het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 1991, NJ 1991, 694 werd deze motiveringsplicht door de Hoge Raad onderschreven.

Dit houdt naar mijn mening in dat wanneer een arts heeft voldaan aan de zorgvuldigheidscriteria en het OM besluit desondanks de arts strafrechtelijk te vervolgen, terwijl daarvoor bijzondere argumenten ontbreken, de strafrechter het OM niet ontvankelijk zal verklaren. De rechter komt in een zodanig geval dan niet toe aan beantwoording van de vraag of sprake is van overmacht, zo de arts zich daarop beroept. Het recht tot strafvervolging wordt het OM eenvoudig ontzegd. Ook al handhaaft men de strafbaarstelling van euthanasie, slechts in bijzondere gevallen zal de arts zich nog voor de strafrechter dienen te verantwoorden.

De vraag rijst of in de nieuwe wettelijke regeling het OM wel als toetsende instantie moet worden aangewezen. Het OM behoudt weliswaar het recht tot strafvervolging in al die gevallen, waarin niet voldaan is aan de genoemde criteria, doch gezien de aantallen zal dit niet vaak voorkomen. Daarbij, eerst nadat overleg daartoe gevoerd is met de Geneeskundige Inspectie, zal de officier van justitie eventueel besluiten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit overleg met de Geneeskundige Inspectie is nodig omdat de beoordeling door het OM van een euthanasiegeval voor een belangrijk deel een afhankelijke toetsing is, nu het OM voor de medische aspecten is aangewezen op het oordeel van derden, zoals de gemeentelijk lijkschouwer en/of de Geneeskundig Inspecteur van de Volksgezondheid. De centrale vraag die bij de toetsing beantwoord dient te worden, luidt: of de euthanaserende (medische) handeling van de behandelende arts in de juiste gevallen onder de juiste omstandigheden heeft plaatsgevonden.

Het is om deze reden dat de Geneeskundige Inspectie dient te worden aangewezen om euthanasiegevallen te beoordelen. De Inspectie is belast met de bewaking van de kwaliteit van het medisch handelen alsmede met de handhaving van de wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid. In het regelmatige overleg met het OM kan de Inspectie dan die gevallen ter bespreking aan de officier van justitie voorleggen, waarin door de behandelende arts niet is voldaan aan de criteria. Op grond van dat overleg kan deze vervolgens tot een strafrechtelijk onderzoek besluiten. In al de andere gevallen kan de Geneeskundig Inspecteur de zaken zelf afdoen. Bij lichte afwijkingen heeft de Inspectie bovendien de ruimte om de kwestie aan de Tuchtrechter voor te leggen. Reeds in 1987 heeft de Raad van State in een advies op één der wetsvoorstellen over euthanasie op grond van goede argumenten ervoor gepleit om niet het OM doch de Geneeskundige Inspectie te belasten met de toetsing van euthanasiegevallen. Daar bevindt zich de medische deskundigheid en daar ligt in ons wettelijk stelsel de eerste verantwoordelijkheid.

Daarenboven, het rapport-Remmelink geeft aan dat tweederde van de geïnterviewde artsen het een ernstig beletsel vindt dat een euthanasiegeval aan Justitie dient te worden gemeld. Het recent in Medisch Contact gepubliceerde onderzoek van de Vrije Universiteit bevestigt dit: driekwart van de ondervraagde artsen ziet ervan af om een euthanasiegeval te melden in verband met de rompslomp van een justitieel onderzoek, dat daarop volgt. Wil de bereidheid van de medici om te melden serieus genomen worden, dan zal met dit gegeven rekening dienen te worden gehouden. De commissie-Remmelink verwacht in de komende jaren een toename van het aantal euthanasiegevallen. Het verdient aanbeveling dat een zodanige meldingenprocedure wordt geformuleerd, waarbij het aantal meldingen eveneens zal toenemen, zonder dat de mogelijkheid om afwijkende gevallen voor de rechter te brengen, wordt beknot.

Tot slot een woord over het kabinetsvoorstel om mede in de meldingenprocedure ook die gevallen te betrekken, waarin de patiënt géén toestemming heeft gegeven tot euthanasie. Het zal duidelijk zijn dat in het voorstel van de bewindslieden bijvoorbeeld euthanasie op een comapatiënt aan de strafrechter ter beoordeling zal moeten worden voorgelegd. Hiermede zegt het kabinet niet anders dan dat de rechter maar in individuele gevallen moet uitmaken of de arts zodanig heeft mogen handelen. Het is wel een te magere beoordeling van een groot probleem. Het lijkt mij dat dit onderdeel in het voorstel moet worden gezien als een oproep van het kabinet aan de medische stand om ook deze gevallen te melden. Nog een reden om de beoordeling in eerste instantie in handen van de Inspectie te stellen, wil enig vertrouwen in een positieve reactie daarop van de medische stand gerechtvaardigd zijn.