Europa is omweg voor Libische wapenimport

ROTTERDAM, 23 JAN. De Amerikaanse douane moet ervan zijn uitgegaan dat Nederland de eindbestemming van de zending nucleaire produkten was, die uiteindelijk naar Libië had gemoeten. Dat heeft waarschijnlijk ook op de vrachtbrief gestaan. Alleen al bij het vermoeden dat er iets naar Libië wordt geëxporteerd wordt op grond van US Export and Administration Regulations streng opgetreden. Het toezicht op het vervoer van zogeheten "stralende goederen' is buitengewoon scherp. Het -overigens onbekende- Nederlandse bedrijf dat als intermediair heeft gefungeerd moet daarna een importvergunning in Duitsland hebben aangevraagd.

De Economische Controledienst (ECD) mag een dergelijk transport niet tegenhouden, omdat het om "dual use items' gaat, goederen met zowel een vreedzame als een strategische toepassing. Bij de aanvraag in Duitsland moet Libië als eindbestemming opgegeven zijn.

Voor de goedkeuring van export van "gevoelige' materialen en goederen hanteert Nederland de lijst van Strategische Goederen, gebaseerd op de In- en Uitvoerwet. Voor export van deze goederen moet bij EZ een exportvergunning worden aangevraagd.

Dat was in dit geval niet nodig, omdat het optische- en laserapparatuur betrof die niet op de lijst van gevoelige materialen voorkomt. Daarom kon de Nederlandse douane de zending niet tegen houden. Ook was er volgens een woordvoerder van EZ geen sprake van valsheid in geschrifte of andere strafbare feiten. Wel heeft de ECD na door de douane te zijn gewaarschuwd, de zending extra gecontroleerd. Daarna is er contact met de Amerikanen geweest, omdat de eindbestemming Libië inmiddels bekend was. Dat heeft niet geleid tot “een verzoek om rechtshulp”, dat Nederland wel in staat zou kunnen stellen een zending tegen te houden.

Drs. H. Roodbeen, expert op het gebied van de gevoelige export bij Defensie, wijst op de Amerikaanse handelsboycot tegen Libië. Om deze te ontduiken wordt via Europa naar Libië geëxporteerd. “Hoe meer bestemmingen in Europa worden aangedaan des te moeilijker wordt de controle”, meent Roodbeen.

Tussen de Nederlandse en Duitse exportvoorschriften voor strategische goederen bestaat volgens Roodbeen geen substantieel verschil. De mogelijkheid die de Duitsers hebben om de export tegen te houden is beperkt als het niet direct om strategische goederen gaat. Maar de Duitse controle wordt geïntensiveerd afhankelijk van de bestemming. Roodbeen wijst daarbij op de Duitse export van chemicialiën ruim twee jaar geleden naar Libië. De afzonderlijke chemische produkten stonden niet op de lijst van strategische goederen, “maar met de som der delen” kon je wel massale vernietingingswapens maken; sindsdien is de Duitse exportcontrole geïntensiveerd”, aldus Roodbeen.