Een opleiding voor autohandel en sloop

Na een opleiding in het individueel technisch onderwijs werkte Tjeerd Tel (34) achtereenvolgens als verwarmingsmonteur, chauffeur en ambulant handelaar. In 1983 werd hij zelfstandig ondernemer. Voor zijn woonwagen stonden vanaf die tijd altijd een paar auto's. Als de handel wat inzakte, was er de steun van de sociale dienst. Tegenwoordig doet Tel het zonder steun. Het is hard werken, maar hij kan rondkomen van zijn in 1989 opgezette garagebedrijf.

In 1989 heeft Tel het diploma Vakopleiding Automobielbedrijf (VAM) gehaald, een opleiding tot zelfstandig ondernemer in de automobielbranche die deels op woonwagenbewoners is afgestemd. De opleiding voor woonwagenbewoners ging in 1987 in Overijssel als experiment van start en verschilde in een aantal opzichten van de gewone vakopleiding. Zo vond de examinering voor een groot deel mondeling plaats en werd het onderwijs opgedeeld in modulen. Volgens een rapport over de speciale opleiding hebben woonwagenbewoners "meer tijd nodig voor het begrijpen en beheersen van de leerstof. De aard van de vakken is namelijk vrij abstract en bij hen (nog) onbekend.'

Inmiddels zijn er vier opleidingsjaren afgerond, het vijfde loopt nog. Heel wat belangstellenden moesten eerst bijgespijkerd worden in de technische vakken of in rekenen en taal. Voor een cursist met alleen een paar jaar lagere school duurt de totale opleiding ongeveer twee jaar. De eigenlijke VAM-opleiding - 43 vrijdagen naar school en 500 uur huiswerk - strekt zich uit over een periode van dertien maanden.

Al in de minderhedennota van 1983 pleitte de overheid voor het bevorderen van het zelfstandig ondernemerschap bij minderheden, waartoe ook de woonwagenbewoners behoren. Omdat veel woonwagenbewoners in de autobranche - handel en sloop - hun brood verdienen, werd gekozen voor een opleiding die hierbij aansloot. "Grijze' of "zwarte' ondernemers in de autobranche zouden, als ze de opleiding tot zelfstandig garagehouder volgden, op ontheffing van de Vestigingswet kunnen rekenen.

De onderwijsachterstand onder woonwagenbewoners, zo blijkt uit een dit voorjaar verschenen rapport waarin de maatschappelijke positie van woonwagenjongeren vergeleken wordt met die van dertig jaar geleden, is schrikbarend hoog. VWO en HAVO liggen achter de horizon, de MAVO net ervoor. De meeste woonwagenkinderen komen niet verder dan het lager beroepsonderwijs. Bovendien komt het regelmatig voor dat ze er voortijdig de brui aan geven. Na twee jaar LBO verlaten ze de school, om er niet meer terug te keren.

Volgens hetzelfde rapport zijn de kansen op de arbeidsmarkt voor deze groep niet rooskleurig. In de onderste regionen van de arbeidsmarkt - ongeschoold en laag geschoold werk - is het dringen geblazen. Bovendien is de werkgelegenheid in de sloop, een niche waarin de woonwagenbewoners zich in jaren zeventig terugtrokken, de laatste jaren dramatisch teruggelopen.

Grijs sloperijtje

Midden september van dit jaar gaf minister Andriessen zijn fiat voor een landelijke invoering van de VAM-opleiding voor woonwagenbewoners. Volgens het Landelijk Platform voor woonwagenbewoners en Zigeuners (LPWZ) hebben zich inmiddels een kleine 500 kandidaten aangemeld. Van hen kunnen alleen degenen meedoen die al een bedrijf in de automobielsector hebben, in de praktijk vaak een "zwart' of "grijs' sloperijtje of kleine autohandel. Bovendien is er een leeftijdsgrens: alleen woonwagenbewoners die voor 1966 zijn geboren worden toegelaten. Vooral zij zouden te kampen hebben met een onderwijsachterstand.

Peter Jorna van het LPWZ wijst erop dat enige soepelheid geen kwaad zou kunnen. Het is volgens hem te simpel om te veronderstellen dat het met de opleiding van woonwagenbewoners die na 1966 geboren zijn wel goed zit. En als er al een strakke grens moet komen, kan beter 1968 genomen worden. Vanaf dat jaar werd namelijk het grote-kampenbeleid geëffectueerd. Woonwagenbewoners werden gedwongen zich "permanent te vestigen' en daarmee werd de dagelijkse gang naar de (kamp)school een gewone zaak.

Het LPWZ, dat zich van meet af aan heeft ingezet voor landelijke invoering van de speciale VAM-opleiding, heeft hoge verwachtingen. Het opleidingsniveau van een flink aantal woonwagenbewoners zal worden opgekrikt, en dat niet alleen. De geslaagde cursisten zullen een stimulans zijn voor anderen: de VAM-cursist als wegbereider en referentiefiguur.

Of dat zal lukken is echter nog maar de vraag. Als het net zo gaat als in Overijssel, is enige scepsis op zijn plaats. Het resultaat van de opleiding viel daar uiteindelijk tegen. Van de ongeveer twintig geslaagden heeft slechts een handjevol het tot legaal zelfstandig ondernemer geschopt.

Joop Arends, deelnemer aan de tweede VAM-opleiding en penningmeester van het Provinciaal Platform voor Woonwagenbewoners, kan erover meepraten. Arends, wiens sloopbedrijf sneuvelde in de koude sanering die deze bedrijfstak sinds enkele jaren treft, heeft de opleiding met goed gevolg doorlopen. Nog voor hij klaar was begon hij een garagebedrijf, zoals de bedoeling was.

Arends zegt dat de cursus kinderspel is in vergelijking met wat daarna komt. Bij het opnieuw, en dan legaal opzetten van een eigen bedrijf beginnen de problemen pas goed. ""Je valt in een diep gat.'' De gesloten wereld van ambtenaren, vergunningen en papier is nog niet eens het ergste. Grootste struikelblokken zijn volgens hem de financiering en het ondernemingsplan. Arends overwon ze, maar struikelde twee jaar later toch nog. Zijn garagebedrijf trok onvoldoende klanten.

Het LPWZ pleitte vanaf het begin voor een opleiding ""die een duidelijke beloning in het vooruitzicht stelt''. Bij de opleiding in Overijssel ontbrak die. Mede hierdoor hebben de vier afgeronde VAM-opleidingen weliswaar twintig aspirant-garagehouders afgeleverd, maar waren er ook dertig cursisten die het niet redden.