Een festival om van te smullen

Het eenentwintigste Filmfestival Rotterdam, waarvan het volledige programma (onder voorbehoud) op de volgende pagina te vinden is, begint min of meer met een schone lei.

Niet alleen festivaldirecteur Emile Fallaux is nieuw; ook zijn staf telt nagenoeg niemand meer die nog gewerkt heeft voor de in 1988 overleden Huub Bals. Diens opvolger Marco Müller vertrok vlak na het vorige festival halsoverkop naar Locarno; tijdens de twee edities onder Müllers leiding werd de cinefiele en grensverleggende aanpak van Bals voortgezet, maar de Italiaanse intellectueel bleek ook over een groot talent te beschikken voor het kweken van vijanden. Müller vond Nederland een rare, kille en oninspirerende omgeving, waar hij weinig van begreep. Fallaux is in zeer veel opzichten Müllers tegenhanger: een beminnelijk journalist, bescheiden, een doorgewinterd kenner van de Nederlandse politieke en culturele vijver en niet gehinderd door de ballast van een overmatige filmhistorische kennis of een fiks pakket internationale contacten en loyaliteiten. Fris van de lever kozen Fallaux en zijn researchteam films uit die hen bevielen. Het zijn er minder (170 speelfilms) dan de afgelopen twee jaar, toen de argeloze incidentele bezoeker soms voor de kassa in grote verwarring rechtsomkeert maakte. Fallaux staat dichter bij het publiek dan Müller; bij het dilemma tussen de internationale gidsfunctie en de nationale publieksfunctie van het festival, koos het bestuur aanvankelijk, door de benoeming van een toonaangevende buitenlander, voor een nadruk op het eerste aspect. Toen dit een valse start bleek, ging het roer radicaal om. Voor het Nederlandse publiek is de eenentwintigste editie dan ook om te smullen. Het beste wat de internationale festivals het afgelopen jaar presenteerden, is bijna compleet in tien dagen in te halen. De laatste omissies, bestaande uit films die niet bij Fallaux in de smaak vielen maar toch de moeite waard zijn, vonden een plaats in de zogenaamde "Critics Choice'. Er is dit jaar geen retrospectief, met uitzondering van de oudere films in het Cinema Narcissus-programma, een selectie van films met de regisseur in een van de hoofdrollen. Ook de vertoning van relatief onbekende films van bijvoorbeeld Orson Welles, Charles Chaplin en Woody Allen zal door het publiek hoog op prijs gesteld worden. Anderszins is de gedurende de afgelopen drie jaar toegenomen nadruk op de filmhistorie veel minder sterk geworden. Zo is de samenwerking met het Nederlands Filmmuseum teruggebracht tot een enkele vertoning van de gerestaureerde kopie van The Last of the Mohicans (Maurice Tourneur en Clarence Brown, 1923). Het botert kennelijk niet tussen het Filmmuseum en Fallaux, getuige ook de heel kinderachtig tijdens het festival geplande lancering van een nieuw Filmmuseumprijsje in Amsterdam. Nooit eerder waren er zo veel tijdens het Filmfestival Rotterdam gepresenteerde films al bij voorbaat verzekerd van een bioscoop- of filmhuisdistributie na afloop, niet alleen bij de officieel nog steeds aan het festival gelieerde firma "International Art Film', maar ook bij een breed scala van andere distributeurs. Nooit eerder was het ook in deze mate mogelijk om een week voor het festival al zo veel films gewoon in Parijs in de bioscoop te bekijken. Die heuglijke ontwikkelingen voor het Nederlandse publiek staan haaks op de internationale betekenis van Rotterdam. De claim van Rotterdam op de positie van het vierde festival (na Cannes, Venetië en Berlijn) van Europa, waarop in de laatste jaren van Bals inderdaad uitzicht bestond, is op dit moment niet realistisch meer. Eerder staat Rotterdam op gelijke hoogte met een aantal andere festivals die in eigen land het publiek tracteren op het beste van het beste: Gent, Göteborg, München, Moskou, San Sebastian, Londen. Daar is niets op tegen, integendeel, mits de festivalleiding daar ook eerlijk voor uit komt en bijvoorbeeld zichzelf niet nodeloos frustreert door te trachten Berlijn primeurs af te snoepen. De aantrekkelijkheid van Rotterdam voor buitenlandse filmmakers, critici en festivaldirecteuren moet, behalve door een gemoedelijke ambiance en oude loyaliteiten, onder Fallaux' directie hoofdzakelijk bepaald gaan worden door enkele activiteiten in de marge. In de eerste plaats is dat de Cinemart, een plek waar geldschieters en producenten van door het festival geselecteerde, kwalitatief hoogwaardige nieuwe filmprojecten elkaar kunnen ontmoeten. De catalogus van de Cinemart maakt dit jaar zo'n professionele indruk dat dit festivalonderdeel wel eens voor het eerst gestroomlijnd en minder chaotisch dan gebruikelijk zou kunnen gaan verlopen. Voorts is er een klein programma van recente Nederlandse films (traditioneel hoog gewaardeerd door publiek en buitenlandse kopers) en een nieuwe samenwerking met het Britse televisiestation Channel Four, waarin onder het motto South recente tv-programma's uit landen rond of bezuiden de evenaar vertoond worden. Ook het "Hubert Bals Fund' stimuleert al enige tijd de produktie in die streken en presenteert het resultaat van die inspanning. Nieuwe initiatieven die kenmerkend zijn voor de belangstelling van Fallaux, zijn de programma-onderdelen The Limits of Liberty en Trash. De grenzen van de vrijheid van meningsuiting worden verkend in een kleine conferentie, die uit moet groeien tot een permanent aandachtsveld van Rotterdam. Ook in zijn journalistieke loopbaan nam Fallaux het altijd al op voor mensen die monddood werden gemaakt, zelfs als zij minder aangename uitspraken deden. PEN-voorzitter György Konrád zal de conferentie openen. Tot de andere gasten behoren vervolgden uit Georgië, Koerdistan en de Verenigde Staten. Het Trash-programma in de zaal Tejatro Popular introduceert (dit jaar Europese) produkties uit het horror-, seks- en exploitatiegenre. Dit al door Müller aangesneden nieuwe terrein, terra incognita voor wie nog steeds de al door Bals verfoeide term "kunstzinnige film' in de mond durft te nemen, kan onder Fallaux' onorthodoxe leiding slechts aan betekenis winnen. Tijdens de eerste persconferentie van het eenentwintigste Filmfestival Rotterdam deelde Fallaux het programma in drie ongeveer even grote categorieën in: vijftig schitterende nieuwe films, vijftig die niet briljant zijn maar wel de moeite waard, en vijftig films van met de Rotterdamse traditie verbonden makers, die je niet zomaar kan weg laten. Zelfs indien die bescheidenheid het resultaat zou zijn van een door omgang met de media gemodelleerde pose, doet de afwezigheid van borstklopperij in Rotterdam weldadig aan. Te hopen valt dat de voorzichtig ingezette collegiale samenwerking met de andere Nederlandse festivals van dezelfde houding profiteren zal. De keerzijde van het nieuwe beleid is dat Fallaux noch een van zijn medewerkers internationaal gezag geniet. Gebrek aan ervaring kan in eigen land als verzachtende omstandigheid dienen, daar buiten zal de consideratie minder zijn. Rotterdam hoeft geen records meer te breken of grenzen te verleggen, maar kan ontspannen het hoogtepunt van het Nederlandse filmseizoen blijven en die functie organisatorisch en inhoudelijk optimaliseren.