De verdwenen contrasten tussen koele en warme vleeskleuren

'Vernis rollen we centimeter voor centimeter op met een wattenstaafje'. Het Frans Halsmuseum wijdt een tentoonstelling aan het restauratiewerk.

De Terugkeer van de Meesters, Frans Halsmuseum, Haarlem, Groot Heiligland 62. T/m 26 april. Ma. t/m za. 11-17u, zo. 13-17 uur.

In tweeën gebroken panelen, gescheurde doeken, verflagen die rimpelen als een krokodillehuid en vergeelde vernislagen. Dat zijn enkele problemen waarmee restaurateurs van schilderijen geconfronteerd worden. Een goed beeld van wat er bij een moderne restauratie komt kijken geeft op dit moment het Frans Halsmuseum in Haarlem. De tentoonstelling Terugkeer van de meesters aldaar is geheel aan conserveren en restaureren gewijd. Te zien zijn schilderijen en andere kunstvoorwerpen die de afgelopen vijf jaar in het atelier van het museum zijn gerestaureerd, maar ook stukken uit het depot die dringend aan een opknapbeurt toe zijn.

Een kunstwerk verandert in de loop der tijden onder invloed van lucht, licht en klimaatschommelingen. Sommige verf "donkert na', andere verliest zijn kleur. Doek, lijsten en panelen "bewegen' onder invloed van het klimaat. En dan zijn er de veranderingen door mensenhand, vroegere restaurateurs bijvoorbeeld die een schilderij met agressieve schoonmaakmiddelen te lijf gingen, of al te ijverig waren met overschilderingen. In de loop der eeuwen is er nogal eens slordig omgesprongen met ons cultureel erfgoed, zo blijkt ook uit de tentoongestelde werken. Een van de pronkstukken lag tientallen jaren opgevouwen op een zolder te verkommeren. Zestiende- en zeventiende-eeuwse schuttersstukken van Frans Hals en tijdgenoten werden bij wapenoefeningen in de doelen waar ze hingen, met degens en geweren bestookt.

Aanleiding tot de tentoonstelling is de voltooiing van de restauratie van een groep grote, zestiende-eeuwse Haarlemse schilderijen, die sterk vergeeld en deels beschadigd waren. Het project omvatte in de eerste plaats de zijluiken van het altaarstuk die de schilder Maarten van Heemskerck (1498-1574) in 1546 in opdracht van het Drapeniersgilde met Bijbelse taferelen beschilderde voor het gilde-altaar in de Bavokerk. Gerestaureerd werd ook het middendeel van het altaarstuk, De Kindermoord, dat in 1591 door Cornelis van Haarlem (1562-1638) werd gemaakt. Van deze schilder werd tevens De bruiloft van Peleus en Thetis (1593) onder handen genomen. Het is het omvangrijkste doek van het project: twee en een halve meter hoog en meer dan vier meter breed. Het werd ooit via een inmiddels dichtgemetselde deur binnengebracht en was te groot om de zaal te verlaten. Het restauratie-atelier werd tijdelijk verplaatst naar de zaal. Bezoekers konden zo vanachter een glazen wand de verrichtingen van de restaurateurs volgen.

Aan dit project is drie jaar gewerkt onder leiding van Ella Hendriks, hoofd van de restauratieafdeling. De eenkoppige afdeling werd ervoor uitgebreid met tijdelijke hulpkrachten uit binnen- en buitenland. Het museum kreeg financiële steun van onder meer WVC en de J.P. Getty Grant Foundation.

Aan de restauraties is uitgebreid kunsthistorisch en materieel-technisch onderzoek voorafgegaan. Bij het kunsthistorisch onderzoek werd de ontstaansgeschiedenis uitgeplozen, de plaatsen waar de schilderijen hadden gehangen nagetrokken en oude documenten over gebruikte materialen en vroegere restauraties opgediept. Uit het archief van de Bavokerk bleek bijvoorbeeld dat bij het altaar van het Drapeniersgilde in een bepaalde periode 's nachts een lamp brandde. “In de kleding van Maria op een van de zijluiken zaten drie druppelvormige beschadigingen, die we eerst niet konden verklaren. Waarschijnlijk is de verf daar weggesmolten door de hitte van de lamp”, zegt Ella Hendriks.

Cornelis van Haarlem maakte De Bruiloft in opdracht van het stadsbestuur van Haarlem. Volgens een rekening uit 1593 kocht Van Haarlem de stof voor het doek van een straatventer. Schilderslinnen bestond nog niet in die tijd. Het enorme doek werd samengesteld door vier verticale banen stof aan elkaar te naaien.

Het schilderij hing meer dan driehonderd jaar in het Prinsenhof, het gastverblijf van de stadhouders. In het begin van de vorige eeuw werd het gerestaureerd, maar belandde daarna op de depotzolder van het Mauritshuis in Den Haag. Daar lag het van 1821 tot 1875 opgevouwen, met de geverfde kant naar binnen. In 1875 diepte men het inmiddels zwaar aangetaste schilderij weer op en besloot tot restauratie en verdoeking. Het broze en uitgedroogde doek was gekreukt en langs de vele kleine en grote vouwen was de verf losgesprongen.

Het onderzoek bracht aan het licht dat de restauratie destijds gepaard ging met een discussie over restauratie-ethiek en -methoden, die nog weinig aan actualiteit heeft ingeboet. Hendriks: “Er was een speciale commissie ingesteld. Die gaf een advies dat eigenlijk heel modern was, namelijk dat de retouches beperkt moesten blijven en dat er niet mocht worden overgeschilderd.”

De verdoeking is volgens haar in 1875 vakkundig uitgevoerd. Maar bij het wegwerken van de beschadigingen had de restaurateur een verf gebruikt waaraan te veel olie als bindmiddel was toegevoegd. De overschilderingen waren daardoor donker geworden en gerimpeld. De vernis was sterk vergeeld. Op het schilderij is een groot aantal mythologische figuren afgebeeld: naakten in verschillende vleeskleuren. De contrasten die Van Haarlem had aangebracht tussen koele en warme vleestinten waren door de vergeling verdwenen. Bij het verwijderen van de vernis kwamen de oude kleuren weer tevoorschijn.

Ella Hendriks: “Vernis is het zwakke punt bij schilderijen, omdat het na verloop van tijd geel wordt. Dat geldt ook voor restauraties. Wij hebben moderne synthetische middelen die niet verkleuren, maar daarvan zijn we bang dat ze op den duur onoplosbaar worden. Uit veiligheidsoverwegingen gebruiken we toch maar de ouderwetse vernis. Oude vernislagen verwijderen we met wattenstaafjes, die we in een oplosmiddel drenken. Daarmee rollen we de vernis centimeter voor centimeter op. Dat is een secuur en tijdrovend werk. Bij de Bruiloft hebben we er met z'n drieën drie maanden aan gewerkt.”

Na het afhalen van de vernis werden de verkleurde retouches (overschilderingen) van oude beschadigingen verwijderd. Waar mogelijk werden ze eerst zacht gemaakt met een oplossende gelei en daarna puntje voor puntje onder de microscoop verwijderd. De oude beschadigingen zijn opgevuld om weer een egale oppervlakte te krijgen en daarna ingeschilderd met een duurzame verf. Hendriks: “Een van de vrouwenhoofden op De Bruiloft van Peleus en Thetis was door een vroegere restaurateur vrijwel volledig overgeschilderd en paste niet in het geheel. De puntjes oorspronkelijke verf die nog aanwezig waren, hebben we aan elkaar verbonden met nieuwe retoucheerverf om zo dicht mogelijk het originele hoofd te benaderen. We gebruiken een eigen verf met droge pigmenten die niet verkleuren. Die worden gemengd met een kunsthars die ook niet verkleurt, maar wel oplosbaar blijft.”

Elke restauratie, vertelt Ella Hendriks, begint met kijken. Met het blote oog en met de microscoop zijn al veel afwijkingen te constateren. Maar daarnaast staat de restaurateur een arsenaal aan hulpmiddelen ter beschikking. Röntgenopnames brengen aan het licht wat er onder de oppervlakte verborgen zit: veranderingen door vroegere restaurateurs, pentimenti (veranderingen door de kunstenaar zelf), of oude beschadigingen. Ultraviolette straling doet verf- en vernislagen van verschillende ouderdom op verschillende manieren oplichten, waardoor men latere overschilderingen kan onderscheiden van de originele verf. Infrarood licht maakt zwarte ondertekeningen op de grondering onder de verflagen zichtbaar. Dendrochronologie, het onderzoek van jaarringen, helpt bij het dateren van houten panelen en lijsten.

Belangrijk is het onderzoek van de verfmonsters. Hendriks: “We nemen met een scalpel minuscule stukjes verf weg. Die worden in een blokje hars gegoten dat aan één kant glad wordt geslepen. Zo kun je door de microscoop zien hoe de samenstelling van de verf is en hoe hij laag voor laag is opgebouwd. Je ziet ook of een extra verflaag door de schilder is aangebracht of later is toegevoegd.”

Op de tentoonstelling zijn een aantal probleemgevallen geëxposeerd, zoals het paneel Adam en Eva van Jan van Scorel (1495-1562), dat finaal in tweeën was gebroken. Om het aan elkaar te lijmen was een speciale tafel en een team van vijf mensen nodig. “Het paneel werd vastgezet met klemmen, de druk moest aan alle kanten precies goed zijn. We werkten met lijm die binnen vijf minuten droog werd, dus we hebben alles eerst uitgeprobeerd zonder lijm”, vertelt Ella Hendriks.

Het Stilleven met pastei, zilveren kan en krab (1658) van Willem Claesz Heda (1594-1680) kreeg van Ella Hendriks een nieuwe bedoeking op een speciale "vacuum-tafel'. Daarop wordt het schilderij met de verfkant naar boven gelegd onder een beschermende laag plastic. Aan de onderkant brengt men een nieuw, met lijm ingesmeerd doek aan. Het geheel wordt langzaam verwarmd en vacuum gezogen, zodat het oude en het nieuwe doek aan elkaar hechten. Als lijm gebruikte men vroeger vaak een mengsel van hars en was, tegenwoordig meestal een synthetische lijm die weer makkelijk kan worden verwijderd.

Oude en moderne schilderijen hebben ieder hun specifieke problemen, legt Ella Hendriks uit. “Het verschil zit meestal in het materiaal. Moderne schilders experimenteren vaak met verschillende materialen door elkaar die eigenlijk niet goed samengaan.” Als voorbeeld noemt zij het schilderij Boerenechtpaar (1957) van Lucebert, op de tentoonstelling te zien bij de "hopeloze gevallen'. Het kan alleen liggend tentoongesteld worden. “Lucebert gebruikte waterverf samen met waskrijt. Dat heeft een vette basis, waar de waterverf niet op hecht. Daardoor bladdert de verf voortdurend af en moet steeds weer worden vastgezet. Bij de oude schilderijen is het schoonmaken het grootste probleem. Ze zijn in de loop der jaren zo vaak behandeld, dat er van alles mee gebeurd kan zijn. Brede overschilderingen, schoonmaakmiddelen die de originele verf hebben aangetast, allerlei verschillende verkleuringen waarvan je moet uitzoeken of ze nog wel te herstellen zijn.”

Restaurateurs zijn de laatste jaren veel terughoudender geworden dan hun voorgangers. Sporen van ouderdom worden zo nodig geaccepteerd. “Wij vinden nu”, zegt Hendriks, “dat we zo weinig mogelijk moeten doen en wat we doen moet in ieder geval later kunnen worden teruggedraaid. We brengen onze verf altijd aan op een tussenlaag van vernis, zodat hij makkelijk kan worden verwijderd. Al het materiaal dat we gebruiken kan weer worden opgelost. Van elk gerestaureerd werk bewaren we de gegevens en ook op de doeken laten we een stukje van de oude vernislaag achter, als documentatie voor toekomstige generaties restaurateurs.”