De nieuwe Hitler is nog niet onttroond

Het is de tijd van terugblikken op de Golfoorlog. Een jaar geleden woedde de "Desert Storm' die niet alleen een eind zou maken aan de Iraakse bezetting van Koeweit, maar ook aan het bestaan van Irak als regionale grootmacht. Het terugkijken levert geen originele commentaren of analyses op en op zichzelf is dat niet verwonderlijk. Drie factoren zijn daarvoor aansprakelijk: de korte tijd die sindsdien is verlopen, het felle debat dat aan de daadwerkelijke krijgshandelingen vooraf ging en waarin allerlei aspecten van de onderneming onder de aandacht werden gebracht en de relatieve openheid waarmee de oorlog is gevoerd dan wel achteraf door de krijgsheren is besproken. Alles wat nu wordt gezegd en geschreven is destijds al gezegd en geschreven. Opvallend is daarbij dat de argumenten tegen, die door het militaire succes van de Alliantie waren weggevaagd, een jaar later weer de kop opsteken.

In het middelpunt van de overwegingen om de invasie van Koeweit ongedaan te maken, stond dat Saddam Hussein hiermee een schending van het volkenrecht zonder precedent sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, had gepleegd. De omstandigheid dat de Veiligheidsraad tot het goedkeuren van een militair ingrijpen kon worden bewogen, was het gevolg van de veranderingen in de Sovjet-Unie. Hoewel het regime in Bagdad een oude bondgenoot van het Kremlin was en Irak door de jaren heen was volgestouwd met Sovjet-wapens, begreep president Gorbatsjov dat zijn veranderings-experiment hier een lakmoesproef werd afgenomen. Weigerachtigheid om tegen Irak op te treden zou een eindhebben gemaakt aan de toenadering tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. President Bush vond het nodig om de onderneming het etiket "nieuwe wereldorde' op te drukken, maar eigenlijk werd de in 1945 in de Verenigde Naties overeengekomen orde voor het eerst van toepassing verklaard.

In de terugblikken krijgt juist dit element van ordehandhaving de minste aandacht. Meer werk wordt gemaakt van de terugkeer van het ancien régime in Koeweit, de weigering van de emir om ook maar een begin van democratisering toe te staan, de behandeling van "vreemdelingen' in het emiraat als tweede-rangsburgers, de verwoestingen en de verliezen aan mensenlevens als gevolg van de oorlogshandelingen. Ogenschijnlijk slaat de balans niet door naar de abstracties van het volkenrecht. Bovendien moet nog blijken of het lot van Saddam Hussein een afschrikwekkend voorbeeld zal zijn. Zijn aanblijven tegen alle verwachtingen en kansberekeningen in, lijkt eerder een aanmoediging voor lieden die ook wel eens wat willen proberen.

Saddam Hussein als duikelaartje dat zich steeds weer opricht, heeft inmiddels Saddam de potentaat, Saddam de redder van de Arabieren, Saddam de strategische mislukkeling in de vergetelheid gevoerd. De man blijkt juist in zijn nederlaag een "nuisance value' van betekenis te hebben, zozeer zelfs dat zijn volgehouden aanwezigheid, zijn pesterijen, zijn dédain voor alles en iedereen een beslissende invloed kunnen hebben op het verloop van de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De publieke opinie heeft behoefte aan eenvoudige beelden. Als systemen worden omschreven als het rijk van het kwaad of een politiek leider wordt aangeduid als een nieuwe Hitler, mogen er rigoureuze maatregelen worden verwacht. Het rijk van het kwaad heeft inmiddels zichzelf opgeheven, maar de nieuwe Hitler troont nog steeds in Bagdad. In zoverre heeft hij de echte Hitler al lang in zijn historische schaduw geplaatst.

Bij de opbouw van de legerscharen die Irak uit Koeweit moesten verjagen, had president Bush een pr-probleem. Hoe het volk te mobiliseren tegen een - vanuit Amerika gezien - betrekkelijk kleine tiran en ten behoeve van iemand die nauwelijks een betere staat van dienst had en die zeker geen geschiedenis van vriendschap met de VS had opgebouwd? De nieuwe wereldorde vormde de "pull', de aanduiding van Saddam Hussein als de nieuwe Hitler moest de "push' zijn die de Amerikanen over de oorlogsdrempel duwde. Saddams op televisie getoonde manipulatie met gegijzelde vrouwen en kinderen hielp de door Bush gewenste beeldvorming een eindweegs, evenals, achteraf, de terreur van de restanten van Iraks gardetroepen tegen sji'ieten en Koerden. Maar het effect van de gebeurtenissen na Saddams nederlaag was tweeledig: Saddams reputatie werd bevestigd, die van Bush raakte alsnog beschadigd.

In de uitleg van het feit dat Saddam Hussein zoveel macht kon behouden dat hij, ondanks de aanwezigheid van inspectieteams van de Verenigde Naties binnen Iraks grenzen, zijn volk met terreur onder de duim houdt, spelen na een jaar opnieuw de "killing fields' in Koeweit en Irak een rol. Het laatste etmaal voordat de president een staakt-het-vuren beval, zou de veldslag zijn ontaard in een slachting onder vluchtende, zich niet meer verzettende Iraakse militairen. De desolate toestand waarin een uit Koeweit-Stad gevlucht konvooi was gebombardeerd, is vele malen beschreven en vastgelegd. Nog een etmaal Amerikaans vuur dreigde de "goodwill' die de onderneming toch nog had gekregen, in een slag weg te vagen.

Naar analogie van het zogenaamde Vietnam-syndroom heeft zich in een jaar tijd een Koeweit-syndroom ontwikkeld. In Vietnam konden alle Amerikaanse inspanningen niet verhinderen dat de VS er een nederlaag leden. Het was de verkeerde oorlog, op het verkeerde tijdstip, tegen de verkeerde tegenstander. De Amerikanen konden niet winnen, omdat zij de tegenstander niet op de knieën konden dwingen. Het gebruikte geweld was onvoldoende om de vijand te vernietigen, maar het was teveel voor het thuisfront. In eigen land liepen de Amerikaanse strijdkrachten ten slotte tegen een onoverkomelijk geloofwaardigheidsprobleem op, moreel en professioneel. De weerzin van Colin Powell, voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven, om grootscheeps in Koeweit en Irak in te grijpen had rechtstreeks met het Vietnam-syndroom te maken. De generaal wist uit ervaring hoe de zege de krijgsman door de vingers kan glippen en hoe de publieke opinie hem dan behandelt.

Uitstel van het bestand en verdere liquidatie van Saddams strijdkrachten zouden de latere terreur tegen de tegenstanders van het regime in Irak zelf hebben voorkomen. Zonder zijn tanks en helikopters zou de potentaat van Bagdad door de oppositie zijn weggevaagd. Maar de beschuldiging dat weerloze Iraakse militairen in Amerikaans vuur waren vermoord, zou dan des te sterker hebben geklonken. Was de val van Saddam Hussein in Irak gevolgd door een burgeroorlog van allen tegen allen dan zou dat eveneens de Amerikaanse regering zijn aangerekend.

Voordat Desert Storm losbarstte, werd steeds weer herhaald dat Amerika's soldaten ditmaal niet met een hand op de rug gebonden zouden behoeven te strijden. (Impliciet werd daarmee gezegd dat in Vietnam dit het geval was geweest). Maar uiteindelijk werd hun toch weer de definitieve overwinning onthouden. De aanwezigheid van Saddam Hussein in Bagdad voedt het Koeweit-syndroom in de Verenigde Staten. In de labiele economische situatie die dit verkiezingsjaar kenmerkt, zal dat syndroom zich nog manifesteren.