De moeizame carrière van vrouwelijke academici

Vrouwelijke academici doen het op de arbeidsmarkt slechter dan hun mannelijke collega's. Voor een belangrijk deel hebben ze dat aan zichzelf te wijten. Als ze vaker bij profit-organisaties zouden gaan werken, meer promoveerden, vaker van baan veranderden om hogerop te komen en vaker full-time werkten, zouden ze binnen een paar jaar gemiddeld hetzelfde kunnen verdienen als mannelijke academici.

Die conclusie valt te trekken uit het onderzoek dat dr. M. Bos-Boers deed onder de ruim tienduizend ingenieurs die de afgelopen decennia zijn afgestudeerd aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Vorige week promoveerde zij op het proefschrift Ontwikkelingen in de functiekwaliteit van vrouwelijke en mannelijke afgestudeerden van de Landbouwuniversiteit Wageningen.

Bos-Boers baseert zich op de uitkomsten van enquêtes die het aan de Landbouwuniversiteit verbonden Nederlands Instituut van Landbouwkundig Ingenieurs (NILI) sinds het begin van de jaren zeventig elke vijf jaar onder Wageningse afgestudeerden houdt. Dit onderzoek onder Wageningse afgestudeerden is tot dusver vier keer (1973, 1978, 1983 en 1988) gehouden, zodat het mogelijk was de arbeidsmarktpositie van Wageningse ingenieurs over een langere periode te volgen.

De uitkomsten van de enquêtes zijn, meent Bos-Boers, representatief voor alle academici. De Wageningse Universiteit heeft immers niet alleen technische studierichtingen in haar pakket, maar ook tal van opleidingen in de sociale wetenschappen. De (relatieve) groei van het aantal vrouwelijke studenten vertoont grote overeenkomst met het landelijke beeld.

Volgens Bos-Boers zijn de verschillen in functieniveau tussen vrouwelijke en mannelijke ingenieurs de afgelopen twintig jaar kleiner geworden. Het verschil in gemiddelde beloning tussen vrouwen en mannen is weliswaar in absolute zin gelijk gebleven, maar door de sterke groei van die inkomens zijn de relatieve verschillen aanzienlijk verkleind: verdiende in 1973 een vrouwelijke afgestudeerde uit Wageningen gemiddeld 22.500 gulden per jaar en een man bijna 41.000, in 1988 waren die bedragen respectievelijk ruim 56.000 en 74.000 gulden.

Het inkomen is een van de kenmerken die Bos-Boers gebruikt om de "gemiddelde kwaliteit' van functies vast te stellen. De drie andere min of meer objectieve criteria zijn het maatschappelijk prestige dat aan een functie wordt toegekend, de mate van werkzekerheid (vaste of tijdelijke aanstelling) en het opleidingsniveau dat voor de functie wordt gevraagd. Volgens Bos-Boers, die de verschillende groepen via tal van correcties met elkaar vergelijkbaar heeft gemaakt, vervulden vrouwen in 1973 een functie die op de kwaliteitsschaal met 4,61 werd gewaardeerd, terwijl mannelijke ingenieurs 6,35 scoorden. Vijftien jaar later is het verschil kleiner geworden. Vrouwen scoorden hoger (5,07) en mannen lager (6,05).

Bos-Boers meent dat dit laatste een logisch gevolg is van de "inflatie' van de afgelopen decennia: de sterke groei van het aantal academici maakte de daling bijna vanzelfsprekend. Volgens Bos-Boers betekent de groei niet dat het gevraagde opleidingsniveau is gedaald, zoals vaak wordt verondersteld. Tegenover haar bewering staat echter dat in 1988 meer ingenieurs dan in 1973 (ongeveer 7 procent) vonden dat hun baan niet van academisch niveau was.

Tijdelijke baantjes

De kloof tussen mannen en vrouwen wordt maar traag gedicht, schrijft Bos-Boers. Ze bekeek welke factoren van belang zijn voor de carrière van de vrouwelijke landbouwingenieur, en door welke beslissingen de ingenieur haar achterstand kan verkleinen. Tijdelijke baantjes, stoppen met werken en weinig van functie veranderen vormen een duidelijke rem op de ontwikkeling van een loopbaan. Het werken in deeltijd ook, maar de negatieve invloed daarvan is de afgelopen vijftien jaar afgenomen, aldus Bos-Boers. Vrouwen beginnen na hun afstuderen echter vaker dan mannen in tijdelijke banen - hoewel ook voor de mannelijke ingenieurs de kans op een vaste aanstelling de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen -, stoppen vaker een paar jaar met werken en veranderen aanzienlijk minder vaak dan mannen van baan om hogerop te komen.

Daar tegenover staat dat het geleidelijk aan steeds minder belangrijk wordt in welke studierichting een ingenieur is afgestudeerd. Bos-Boers wijt dat aan de steeds grotere aantallen academici op de arbeidsmarkt, maar ook het groeiend aantal functies waarvoor het hooguit nog belangrijk is dát er een universitaire opleiding is gevolgd, speelt een rol. Werkgevers kijken tegenwoordig vooral naar persoonskenmerken. Voor vrouwelijke ingenieurs maakt deze ontwikkeling het mogelijk hun achterstand in te halen: zij hebben veel vaker dan hun mannelijke collega's studierichtingen gekozen die relatief laag worden aangeslagen.

Tegelijk is voor een behoorlijke carrière echter steeds vaker het (regelmatig) volgen van post-academische opleidingen vereist. Die zijn in de meeste gevallen zo duur dat alleen een werkgever ze kan betalen. Maar een werkgever zal niet investeren in werknemers die in tijdelijke dienst, bijvoorbeeld op projectbasis, zijn aangesteld. En vrouwen werken vaker dan mannen in tijdelijk dienstverband.

""De eerste stap die de vrouwelijke afgestudeerde op de arbeidsmarkt doet is bepalend voor haar verdere carrière'', concludeert Bos-Boers. ""Ze moet proberen de valkuilen te vermijden die haar onherroepelijk op achterstand zetten.'' Dat betekent dat vrouwelijke afgestudeerden moeten proberen bij een profit-organisatie aan de slag komen - want daar zijn de hoger gekwalificeerde functies te vinden - , in een vaste en full-time betrekking. Wie door een werkgever wordt gevraagd, zit over het algemeen beter dan wie via een sollicitatie aan een baan komt. Vrouwen worden in 1988 beduidend vaker gevraagd dan in 1973, maar datzelfde geldt voor mannen, zodat per saldo de vrouwelijke ingenieur op dat punt een behoorlijke achterstand houdt. Wie een verkeerde eerste stap zet zal, aldus Bos-Boers, ""in de loop van de tijd meer moeten doen om hetzelfde niveau te bereiken als mannen''

Alleen de doctorstitel blijkt in de afgelopen twintig jaar voor vrouwen profijtelijker te zijn geweest dan voor mannen. De functiekwaliteit van vrouwelijke gepromoveerde ingenieurs wordt daardoor in 1988 op 6,8 gewaardeerd, tegen 7,1 voor de mannelijke doctor. Helaas is maar 4 procent van de vrouwelijke Wageningse ingenieurs gepromoveerd, tegen 10 procent van de mannen.

De achterstand van de vrouwelijke ingenieur valt, denkt Bos-Boers, niet op korte termijn weg te werken. Wel verwacht ze dat de gesignaleerde ontwikkeling doorzet. ""Ik ben benieuwd naar wat er uit onze volgende enquête, in 1993, komt. Er zal dan nog steeds sprake zijn van een forse kloof. Voordat die zal zijn gedicht - als dat al ooit gebeurt - zitten we in de volgende eeuw, vrees ik.''