De kronkelingen van prof. Wolfson

Het is natuurlijk het goede recht van de commissie-Wolfson om afstand te nemen van een mini-stelsel voor de sociale verzekeringen. En het is al evenzeer het goede recht van Wolfson zelf om eerst vóór en later tegen te zijn. De argumenten van de commissie en van haar voorzitter zijn echter niet erg sterk.

In interviews (onder meer in deze krant van 14 januari) noemt Wolfson het element van solidariteit. “Ik wil geen uitkeringssysteem dat is gestigmatiseerd als een soort armenzorg.” Wat bedoelt hij hiermee? Volgens zijn eigen zeggen heeft 92 procent ... een WAO-uitkering op minimumniveau. Wanneer slechts acht procent hier bovenuit stijgt, kan je toch niet praten over een stigmatisering. Bovendien: solidariteit is een wezenlijk element in de sociale zekerheid, maar is een beroep op solidariteit met acht procent uitkeringsgerechtigden, die tot de naar verhouding financieel sterkeren behoren en die zich het beste kunnen redden, niet overtrokken of zelfs onwaarachtig?

Wolfson noemt een van de domste argumenten voor een mini-stelsel (een basisuitkering klinkt toch wat vriendelijker) dat het geld zou opleveren: bruto hooguit acht miljard - toch niet niks - maar netto slechts twee. “Maar die valt dan precies bij de mensen zonder cao, bij de zwakste mensen.” Hoezo? Niet cao'ers vind je bij de beter betaalden - die redden zich wel - en aan de onderkant van het loongebouw. Deze laatste categorie hoort nu juist bij de 92 procent op minimumniveau en ze heeft dus voor- noch nadeel van een mini-stelsel. Een weinig valide argument derhalve.

Er zit echter nog een ander aspect aan die bruto-nettobenadering waaraan de commissie-Wolfson geen aandacht geeft: het feit dat dan de bovenminimale uitkeringen uit het begrip (overigens niet meer dan een werkhypothese) collectieve lasten verdwijnt. Dit heeft twee voordelen. Ten eerste: dan valt de bij slechtere economische omstandigheden optredende druk op het bovenminimale deel van en daarom op het hele stelsel weg. We zagen het in de jaren tachtig. We zien het nu bij de WAO en als straks de werkgelegenheid weer beduidend zou dalen, nemen we opnieuw de bocht. In de tweede plaats: dan wordt in het vervolg de gehele premiedruk niet min of meer automatisch gecompenseerd, maar het bovenminimale gedeelte kan onder het begrip "beschikbare loonruimte' vallen. Als er tenminste sprake zal zijn van collectieve contracten.

Het zou goed zijn als het Ministerie van sociale zaken een stel techneuten de voor- en nadelen van een mini-stelsel, de mogelijk- en de onmogelijkheden en de eventuele modaliteiten erin, eens op een rijtje zou laten zetten. Dan weten we beter waarover we praten. Maar het departement wil niet. Met name zijn bewindslieden geven tot nu toe geen enkele sturing aan een denkproces, waarvan de uitkomst niet alleen van groot belang voor het voortbestaan van onze sociale zekerheid kan zijn, maar dat ook grote politieke gevolgen kan hebben.

Ze laten iedere knutselaar zijn eigen miniwiel uitvinden en ze beperken zich tot een min of meer filosofisch staren naar de eigen navel. “Taken die boven het basisniveau uitgaan, staan ter discussie. Daarbij gaat SZW, in beginsel, uit van de benadering dat die taken niet langer door het ministerie behoeven te worden uitgevoerd, omdat hetzij de individuele burger daar zelf in kan voorzien, hetzij maatschappelijke organisaties de taken kunnen overnemen”, aldus de Strategienota van het departement. “In de sfeer van de sociale zekerheid krijgen we discussie over de vraag of de overheid verder moet gaan dan basisniveaus te garanderen (. . .) wie beslist, betaalt, voert uit, houdt toezicht”, schreef directeur-generaal Borstlap van Sociale Zaken in deze krant van 14 januari. Een dag zei hij: “Soms heb ik in Den Haag het gevoel dat we van alle kanten tegelijk worden ingehaald.” Bijvoorbeeld in maart door het PvdA-congres over de verzorgingsstaat?

Het departement weifelt en wankelt. Minister De Vries, eerst voorstander van een mini-stelsel, is op het financiële argument van de commissie-Wolfson "om' gegaan. Maar hij wil in de toekomst naar een financiering van het stelsel door de bedrijfstakken met als gevolg grote verschillen in de hoogte van premies en uitkeringen. Een super-mini-stelsel, waarin alle solidariteit wordt opgeofferd aan het financiële gewin?

Is er een betere reden te bedenken om nu eerst de zaak echt op een rijtje te zetten en dan met een voorstel op grond van deugdelijke argumenten te komen?