Bart Stuyf ontwerpt decor dans De Châtel; Een reuzeninsect dat met dansers moet meebewegen

Bart Stuyf - oud-danser, choreograaf en vormgever - heeft, in samenwerking met de beeldend kunstenaar Martin Mulder, een object ontworpen voor een nieuwe produktie van Dansgroep Krisztina de Châtel. Weep, Cry and Tangle gaat zaterdag 25 januari in première in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Bart Stuyf (1945) lijkt nog steeds op het jongetje dat graag met zijn meccano-doos speelde en in de schuur auto's timmerde die te groot waren voor de deuropening. Ook de omvang van zijn constructie voor Krisztina de Châtels choreografie Weep, Cry and Tangle is indrukwekkend.

In een enorme, onverwarmde opslagloods in Amsterdam, tussen de restanten van de Boulevard of Broken Dreams, een witkar en een lege ambulance, zetten Stuyf, Martin Mulder (ontwerper voor o.a. Hauser Orkater, theatergroep Hollandia en Cloud Chamber) en hun helpers het object in elkaar, dat zij afwisselend de spin of de schorpioen noemen. Tegen het dak is provisorisch een brug met rails bevestigd. Hieraan moet het vijf meter hoge en acht meter brede gevaarte van dunwandige buizen, met een gewicht van slechts 311 kilogram, heen en weer schuiven, stijgen of dalen. Een motor trekt het metalen frame, met zijn ongelijkvormige poten en wielen van meer dan een meter doorsnede, naar boven. Zuchtend brengen negen luchtcilinders het insect tot leven.

Bart Stuyf is geboren in Amsterdam-Noord. Zijn vader was brandweerman en tevens rekwisiteur bij het voormalig Amsterdams Ballet. Al zijn vijf kinderen werden danser. In 1969 richtte de jongste zoon Bart zijn groep Multi Media op, waarin hij beeldende kunst en bewegingstheater combineert. Dit gezelschap en dat van zijn oudere broer Koert (Stichting Eigentijdse Dans, 1963-1974) zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de moderne dans in Nederland. Onder hun invloed zijn zelfs Hans van Manen en Rudi van Dantzig anders gaan werken, beweert Bart Stuyf.

Voor zijn produkties ontwierp Stuyf buitenissige kostuums en objecten als manshoge waaiers (Eventails, 1976), spiegels (in een gelijknamige produktie uit 1978, die onlangs werd herhaald in het Holland Dance Festival) of een robotarm (Target, 1985/86). Daarna voelde hij zich opgebrand en besloot van de ene op de andere dag te stoppen. Hij was bang om in een isolement te belanden. Daarom ondernam hij verschillende activiteiten. Hij ging video-opnamen voor andere choreografen maken, deed onlangs een regie bij de zanggroep Montezuma's Revenge. En hij aanvaardt decoropdrachten zoals voor De Châtels Weep, Cry and Tangle.

“Die opdracht was ruim gesteld”, vertelt Stuyf, “Krisztina vroeg slechts "iets leuks' te ontwerpen, maar verdere informatie ontbrak. Zelf gebruikt zij de muziek als leidraad voor haar choreografie, maar zo kan ik niet werken. Ik moet een dialoog kunnen voeren. Daarom haalde ik Martin erbij. Ons concept gaat over het noodlot van de DDR. Een systeem stort ineen en na 55 jaar beseft een volk dat het tweemaal fout is geweest. Het werd een machine die niet meer functioneert. Van de vijf ontwerpen die we maakten sloot de geknakte schorpioen het meeste aan bij de bewegingen van de dansers.”

Bij de repetitie met de dansers moet Stuyf zich soms inhouden. Als choreograaf weet hij waar het evenwicht ligt tussen de vormgeving en de dans. Maar hij is ook een pragmaticus. “De Châtel en ik verhouden ons tot elkaar als een huisbaas en een onderhuurder”, vindt hij. “Als zij iets niet goed vindt, dan verander ik dat.” Op haar beurt vindt De Châtel weer dat Stuyf te veel rekening houdt met haar en de anderen. Zij hoopte dat hij het haar moeilijk zou maken. “Ik storm door”, zegt zij. “Mijn choreografie was eerder klaar. In die loods kan je geen dansers laten werken. Oefenen met het apparaat was nauwelijks mogelijk. Na de première moet er verder worden geëxperimenteerd.”

De ontwerper bevestigt dat: “In deze produktie heeft de machine weliswaar een dienende functie, maar de choreografie ligt al zo vast. Op het moment dat het ding als een vlo over het toneel moet springen, kan dat niet. Er gaat geen dreiging van uit als de dansers het negeren. Je moet spanning oproepen. ”

Zelf gaat Stuyf niet graag naar het theater. Zijn informatiebron is de televisie, daaraan is hij verslaafd. Overal in zijn huis staan toestellen opgesteld. Hij ziet vrijwel alles.

Alles wat beweegt vindt hij prachtig. Beeldende kunst ziet hij slechts "en passant'. Het werk van de pop-kunstenaar Claes Oldenburg kan hij waarderen, "maar het staat stil".

“Kunst is zo'n beladen woord”, meent Stuyf, die zich niet wil vergelijken met beeldende kunstenaars die bewegende objecten maken. “Daarmee voel ik geen verwantschap. Door Martin heb ik echter bewondering gekregen voor de Amerikaan Alexander Calder. Die ontwierp onder meer gemotoriseerde mobiles en maakte frutseldingetjes voor zijn kinderen. Zo'n huis-, tuin- en keuken-kunstenaar staat dichter bij mij. In de kunstensector is het meestal zo vaag en abstract, dat het heel prettig is om terug te gaan naar een boutje en een moertje. Wat ik maak is meer amusement dan kunst. Het gaat een jaartje mee en dan verdwijnt het naar de schroothoop of naar jongensland,” waar er hutten van worden gemaakt.