Zuidelijke provincies slaan de handen ineen

DEN BOSCH, 22 JAN. In de Bois le Duczaal van het provinciehuis in Den Bosch staat een monumentaal orgeltje. Daarop parafraseerde de organist gisteren bij het tekenen van het “Tractaat van Den Bosch” de volksliederen, te beginnen met het Brabantse "Toen hertog Jan kwam varen', gevolgd door het "Waar in bronsgroen eikehout' van de Limburgers en "Geen dierder plek voor ons op aard' van de Zeeuwen.

Onderwijl tekenden de drie commissarissen der koningin de verklaring waarin de provincies zich ertoe verplichten innig met elkaar te gaan samenwerken en waar mogelijk de Vlaamse buren erbij te betrekken.

Zonder dat er nu onmiddellijk een superprovincie Zuid-Nederland ontstaat, willen de drie provincies de handen ineenslaan op het gebied van economie, milieu, landbouw, verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening en cultuur. Dit alles tegen de achtergrond van het verdwijnen van de Europese binnengrenzen, waardoor volgens de drie provincies aan schaalvergroting niet valt te ontkomen willen ze in het Europa van morgen nog voldoende keelgeluid kunnen produceren. Samen hebben ze tegen de 3,5 miljoen inwoners, waarvan Noord-Brabant met 2 miljoen het grootste aantal levert en Zeeland met 350.000 het kleinste.

Om de bijeenkomst, die werd bijgewoond door gedeputeerden uit de drie provincies, nog meer cachet te geven was staatssecretaris mevrouw D. de Graaff-Nauta van binnenlandse zaken uitgenodigd. Zij vond het niet nodig dat er uit de puur vrijwillige samenwerking tussen Brabant, Zeeland en Limburg onmiddellijk een discussie volgt over provinciale herindeling. “Ik vind het”, aldus de staatssecretaris, “nu nog te vroeg om daarover in detail te spreken. Het voornaamste is dat de provincies duidelijk overtuigd zijn van het nut van intensivering en verbreding van hun onderlinge samenwerking. Een mogelijk samengaan van provincies moet pas dan worden overwogen als het takenpakket van een interprovinciaal samenwerkingsverband een bepaalde kritische massa krijgt.”

Die massa zullen de drie zuidelijke provincies op korte termijn niet bereiken. Want het blijft schipperen tussen elkaars belangen en het belang dat bijvoorbeeld Zeeland en Brabant in Zuid-Holland denken te hebben en Limburg in de Euregio. Daardoor kwam het taalgebruik van de drie commissarissen ook enigszins wollig over. “Dit is een groeimodel”, zoals de Zeeuwse commissaris C. Boertien zei. E. Mastenbroek, de commissaris die in Limburg nog altijd met gouverneur wordt aangesproken, vergeleek de intentieverklaring met “de schilder die start; achteraf komt de titel van het werk vanzelf wel.”

De Brabantse commissaris der koning mr. F. Houben ziet in de samenwerking een “cultuuromslag” voor het denken in de drie provincies. “Als Brabant zaten we nog altijd op de lijn van het Brabantia Nostra. Het uitsluitend tot de eigen grenzen denken heeft er bij alle drie nogal lang ingezeten.”

In ieder geval ligt er aan de intentie voor samenwerking tenminste één nogal prozaïsch motief ten grondslag. De EG heeft de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische grensprovincies als voorwaarde gesteld, wil men gezamenlijk kunnen beschikken over de 27,5 miljoen Ecu die in Brussel klaar ligt voor gezamenlijk onderzoek op terreinen als wetenschap, onderwijs, onderzoek en aanpak van grensoverschrijdende milieuproblemen.