Tam-tam aan het aidsfront

Het is een hele zorg om in Nederland seksueel deviant te zijn. Weliswaar staat het hier bol van de organisaties voor poten, potten en biseksuelen, en bestaat er geen landgenoot meer die principieel afwijzend staat tegenover libertaire beginselen, maar toch blijft het een dagtaak om op verantwoorde wijze af te wijken van de norm.

Duidelijk maken dat je tot een gediscrimineerde minderheidsgroep behoort is één, maar blijven suggereren dat je onveranderlijk wordt teruggeduwd in de hoek waar de klappen vallen, dat is een andere zaak. Het gevecht om gelijke rechten en een eigen plek onder de schaarse Nederlandse zon leidt tot een merkwaardige paradox: hoe voorspoediger de strijd verloopt, des te moeilijker is het om hem voort te zetten. Vandaar de bloedarmoede binnen de nationale homobeweging en de tam-tam die deze groep van de weeromstuit maakt aan het aids-front.

De ellende rond de nieuwe gesel Gods heeft een ware aids-industrie opgeleverd, en dus ook de obligate Postbus 51-mededelingen. Twee van deze spotjes brengen de nieuwe charitas-markt aardig in beeld. In de één zien we twee verliefde scholieren, Ruud en Maaike. Zij verkeren in een staat van tedere omhelzing, strelen elkaars billen dat het een lieve lust is en houden zich immuun voor de spottende blikken van hun klasgenoten; bij Ruud en Maaike zijn de hormonen aan de macht. “Ze hoeven niet veilig te vrijen, want ze kennen elkaar al drie weken”, hoont de commentaarstem, “Welterusten, Ruud en Maaike”, en tot de kijker: “Denk na. Vrij veilig.” Het andere spotje propageert begrip voor de aids-patiënt: een besmette jongen, voor wie de buurvrouwen angstig terugdeinzen als hij in het trappenhuis verschijnt, vindt troost in de armen van wat zijn saunagenoot of hulpverlener zou kunnen zijn. Of simpelweg zijn trendgevoelige overbuurman. “Van een beetje begrip heeft nog nooit iemand aids gekregen.” In tweemaal twintig seconden wordt ons een mini-model van de Nederlandse verhoudingen geschetst: het lekkere stel Ruud, Maaike, HIV en de seropositief, houdt ons voor dat homo's het kunnen hèbben en hetero's het kunnen krijgen.

Het HIV-virus maakt het leven van de individuele homoseksueel er niet gemakkelijker op, maar de homobeweging doet er, evenals het medische en hulpverleningscircuit, zijn voordeel mee. Wat voor de eenling een ramp is, blijkt voor de gemeenschap een bron van dynamiek te zijn: een zorg-, onderzoeks- en engagementmarkt waar Fight for Life, buddies, virologen, artsen, journalisten en trendgevoelige buurmannen hun slag proberen te slaan. De groep medische specialisten die de vinger nauwgezet aan de pols der tijd hield, heeft zich over de Nederlandse aids-centra verspreid als de epidemie zelf; de belangenbehartigers en actievoerders verdringen elkaar voor de camera's en in de opiniebladen. Wie zou er ooit hebben gehoord van de doktoren Danner en Coutinho als er geen HIV had bestaan? Zelfs de doorsnee burger kan een treetje op de statusladder stijgen als hij de nieuwste therapieën kent en daarbij en passant kan melden een aids-patiënt in zijn kennissenkring te hebben. Het getuigt van eigentijds engagement.

De hetero kan met aids koketteren, de welzijnssector kan erbij floreren, en de homobeweging kan het goed gebruiken. Namelijk als middel tegen de halfslaapziekte. Want ooit kenmerkte de homobeweging, door buitenlanders als "militant' omschreven, zich door een emancipatiedrang die op de typisch Nederlandse manier maatschappijverandering en gelijkheid voorstond: alles moest anders en iedereen was hetzelfde. “Maar al snel”, zo betoogt de socioloog J.W. Duyvendak, “werd de marginale positie van homoseksuelen niet langer betreurd maar uitgebuit. "Anders zijn' was niet langer problematisch, maar profijtelijk”, met als gevolg: een compleet ingerichte "homozuil' waar het spannend toeven was. Deze comfortabele positie betekende echter meteen de dood in de pot: er ontstond een gestileerde homocultuur die zich conserverend opstelde met als doel het eigen gebied af te bakenen, maar (volgens de Amerikanen White en Boucke) met als gevolg een opvallende neiging tot zelfverheerlijking.

Onderwijl veranderde de Nederlandse samenleving ingrijpend: verzet en emancipatiedrang raakten geïnstitutionaliseerd. In Political Action, Mass Participation In Five Western Democracies kunnen we lezen: “Wat in de jaren zestig nog ongebruikelijk was, werd in de jaren zeventig legitiem en normaal.” Iedereen wist hoe ver hij te ver mocht gaan, en volgens de Duitse journalist Vieten “verdween de drempel waarachter iets aanstootgevend werd vrijwel volledig”. Ernest Zahn heeft deze ontwikkeling mooi getypeerd: in de jaren zestig ontstonden "ludieke' gedragingen, in de jaren zeventig werden die overgenomen door politieke actiegroepen, en in de jaren tachtig viel het verschijnsel ten prooi aan inflatie. “Niet meer de maatschappelijke betrokkenheid werd de drijfveer, maar het eigenbelang, en daardoor werd het eigenlijk ook niet meer zo leuk.” De homo's van het eerste uur waren ongemerkt in oud-verzetsstrijders veranderd. De swing was eruit, en de heilige missie verzandde in een serie achterhoedegevechten over het recht op homohuwelijken, kunstmatig ouderschap, en “het recht op zelfexpressie in de stad en op het platteland, in bibliotheken en op de buis”, zoals de voorzitter van de werkgroep homostudies het omschrijft vanuit zijn veilig zuiltje aan de Universiteit van Amsterdam. Om voor dit soort schermutselingen nog wat aandacht te krijgen, kan de homobeweging wel een bulderend kanon gebruiken. Dat kanon heet aids.

De “drang tot zelfverheerlijking van de Nederlandse homoseksuelen” en “de permanente staat van openheid die de rest van de bevolking tracht op te brengen” worden als volgt in stand gehouden: de minderheidsgroep schildert zichzelf af als paria's, koppelt deze underdog-positie aan een moreel gelijk, en neemt de positie in van "geuzen'. Homo's gedragen zich als de geuzen van onze epoque. Ze voelen zich miskend, gediscrimineerd, en claimen allerlei rechten op grond van de gedachte: iedereen is gelijk, maar wij zijn toch "anders' (lees: "een tikje beter'). Het recht van de zwakste.

Nederlanders zijn erg gevoelig voor dit soort "recht' en belangengroepen proberen daarvan te profiteren via het "Calimero-effect'. Zij maken zich klein en hulpeloos en mikken op wat men zou kunnen noemen: "de wet van de accelererende achterstand': wie achter is, zal vóór blijven staan. Homo's hebben belang bij een uitzonderingspositie en zijn daarom dol op hun "homoziekte', zij het niet als patiënt.

Op zich is dat niet typisch Nederlands, maar de "open', bijna gulzige manier waarop wij het mededogen met onze dubbel achtergestelde medemens cultiveren, die zul je elders niet gauw aantreffen. Van een beetje begrip krijg je geen aids, maar van te veel begrip krijg je wèl eens het zuur.

Illustratie Jack Prince