Protest wegens plan voor milieuheffingen

DEN HAAG, 22 JAN. Het kabinet komt in 1993 waarschijnlijk met heffingen op grondwater, bestrijdingsmiddelen, afval, kunstmest en veevoer of het doet een keuze uit deze mogelijkheden. Deze aankondiging heeft onmiddellijk tot een protest van de drinkwaterleidingbedrijven geleid.

In een notitie die zij gisteren naar de Tweede Kamer hebben gestuurd, hebben de ministers Kok (financiën) en Alders (milieubeheer) een inventarisatie gemaakt van mogelijke milieuheffingen. De bedoeling is het aantal financieringsbronnen voor het centrale milieubeleid te vergroten. Daarop heeft de Tweede Kamer vorig jaar aangedrongen. Nu geldt energie als voornaamste heffingsbron. De verhoging daarvan dit jaar zorgde in het bedrijfsleven voor veel beroering, in het bijzonder bij bedrijven die veel energie verbruiken.

Ditmaal hebben de drinkwaterleidingbedrijven, verenigd in de VEWIN, onmiddellijk afwijzend gereageerd op de suggesties van Kok en Alders. Zij vinden het strijdig met het principe "de vervuiler betaalt' dat het de waterleidingbedrijven - en dus de consument aan wie de kosten worden doorberekend - zijn die de heffing moeten opbrengen.

De ministers becijferen dat een heffing op grondwater, waarvan in Nederland per jaar ruim één miljard kubieke meter wordt verbruikt, in theorie maximaal 800 miljoen gulden kan opbrengen. Op die manier wordt het prijsverschil met oppervlaktewater, dat gemiddeld 60 cent (voor bedrijven) tot een gulden (voor huishoudens) per kubieke meter goedkoper is, weggewerkt.

Als de heffing een gulden per kubieke meter zou gaan bedragen, betekent dit dat een huishouden gemiddeld 107 gulden per jaar meer voor water moet gaan betalen. Dat wil zeggen: voorzover het zijn water betrekt van een waterleidingbedrijf dat drinkwater uit grondwater bereidt. De prijs wordt dan ongeveer gelijk getrokken met die van waterleidingbedrijven die oppervlaktewater gebruiken.

De tarieven van drinkwater zijn in Nederland per regio verschillend. Van grondwater bedraagt de prijs op dit moment gemiddeld tussen de 90 cent en 1,20 gulden per kubieke meter en van oppervlaktewater 2,10 tot 2,60 gulden. In Nederland wordt meer oppervlaktewater dan grondwater gebruikt, maar dat geldt niet voor huishoudens. Volgens cijfers uit 1986 verbruikten huishoudens 425 miljoen kubieke meter grondwater per jaar tegen 240 miljoen kubieke meter oppervlaktewater.

De ministers onderstrepen dat hun cijfers nog theoretisch zijn, omdat het ook mogelijk is de heffing anders te verdelen. Als bij voorbeeld alle grondwater-onttrekkingen erbij worden betrokken (dus ook die ten behoeve van landbouw en industrie), zouden de extra lasten per huishouden geen 107 maar 75 gulden per jaar bedragen. In dat geval zouden bedrijven meer op tafel moeten leggen, in het bijzonder de voedings- en genotmiddelenindustrie en de papierindustrie. Voorlopige schattingen duiden op extra lasten voor deze grootverbruikers die variëren van 4 tot 21 miljoen gulden per jaar. Sommige boeren zouden per jaar 1000 tot 2000 gulden meer kwijt zijn.

Pag.16:

Meer lasten voor de burger

Op afval kan een heffing komen voorzover dat wordt verbrand of gestort. Geschat wordt dat een heffing van tien gulden per ton in een jaarlijkse opbrengst van 190 miljoen zou resulteren. De huidige storttarieven variëren van 6,70 tot 121,50 gulden per ton voor huishoudelijk afval en bedragen 400 gulden voor chemisch afval. De verbrandingstarieven zijn respectievelijk 60 tot 90 gulden voor huishoudelijk en soms meer dan 1000 gulden voor chemisch afval. De belastingdienst zou de heffing via de stortplaatsen en de verbrandingsinstallaties moeten innen.

Voor bestrijdingsmiddelen gaan de ministers uit van een tarief van 1,50 gulden per kilo met een opbrengst van bijna 75 miljoen gulden per jaar. Overigens is al een dergelijke heffing in voorbereiding, zij het met een lager geraamde opbrengst (25 à 30 miljoen). De groothandel en de distributiesector kunnen voor deze heffing worden aangeslagen.

Voor een belasting op kunstmest en veevoer gaat het om een tarief van 5 cent per kilo fosfor of stikstof. De groothandels in kunstmest en veevoer kunnen als belastingplichtig worden aangemerkt; hun afdracht aan de belastingdienst zou via de heffing met 49 miljoen gulden worden vergroot.

In het algemeen gaat het hierbij om heffingen die (overheids)bedrijven de burger in de prijs van het produkt in rekening zullen brengen. Deze heffingen voor de financiering van het milieubeleid van de overheid staan nog los van de regulerende heffingen die het kabinet, bij voorkeur in Europees verband, eveneens in 1993 wil invoeren. Dergelijke regulerende heffingen, die de prijs van bij voorbeeld elektriciteit verder opdrijven, worden aan bedrijven en burgers grotendeels "teruggegeven' via verlagingen van belastingen en/of premies.

Een spreiding van de milieuheffingen over een breder terrein zou de verhogingen van de energieheffing die ook voor de komende jaren door het kabinet zijn voorzien, kunnen verzachten. Kok en Alders onderstrepen dat hun notitie nog maar een schets is van de technische haalbaarheid en dat nog veel onderzoek nodig is. Maar ook laten ze weten dat de voorbereidingen zijn begonnen om nog dit jaar wetsvoorstellen te behandelen, opdat ze 1 januari 1993 van kracht kunnen worden.