"Lockerbie' niet vergeten

“AUT DEDERE, aut punire”, zo luidt een klassieke rechtsspreuk die tegenwoordig nogal eens wordt geciteerd bij de bestrijding van het internationale terrorisme.

Een staat dient de verdachte van terreuraanslagen òf uit te leveren aan een andere staat die tot berechting wil overgaan, òf zelf voor berechting te zorgen. Dit is dan ook het anker waar Libië voor is gaan liggen in het geval van de aanslag in december 1988 boven het Schotse Lockerbie op Pan Am-vlucht 103. In totaal kwamen daarbij 270 mensen om het leven. Libië heeft een verzoek van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van de twee vermoedelijke daders, agenten van de Libische geheime dienst, afgewezen en zelf een justitieel onderzoek ingesteld.

Bij deze handelwijze konden de Libische leider Gaddafi en de zijnen zich beroepen op de grondbeginselen van het internationale recht. Gelijkwaardigheid tussen staten is daarvan een karakteristiek, strakke bewaking van de eigen rechtsmacht een andere. Nu is het internationale uitleveringsrecht sinds de Tweede Wereldoorlog in evolutie geraakt en wordt er - mede onder invloed van de explosieve groei van het internationale personenverkeer - minder krampachtig vastgehouden aan de nationale autonomie. Maar nog steeds kan niet worden gesproken van een algemeen aanvaarde verplichting van een staat zijn eigen burgers uit te leveren.

HET IS DAN OOK niet gering dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties thans Libië in de affaire-Lockerbie met algemene stemmen voor het blok heeft gezet. De tekst laat overigens - naar men veilig kan aannemen: met opzet - wel een gaatje. De Veiligheidsraad eist “een volledig en effectief antwoord” op het Brits-Amerikaanse uitleveringsverzoek. Theoretisch laat de Raad daarmee berechting in het thuisland, bijvoorbeeld onder extra garanties, open. Of wellicht wordt gemikt op een tussenoplossing, zoals berechting door een internationaal tribunaal. Maar de VS en Groot-Brittannië hebben een Libisch voorstel om de zaak voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag te brengen, al van de hand gewezen. Zij noemen een behoorlijk proces in Libië uitgesloten omdat de twee verdachten agenten van de Libische regering zijn en de onafhankelijkheid van de Libische rechterlijke macht twijfelachtig is.

Het probleem is alleen dat de Amerikaans-Britse eis ook moeilijk ligt. Dat er geen uitleveringsverdrag bestaat tussen Libië en de twee verzoekende staten is al direct een complicatie. Volkenrechtelijk is voor uitlevering zo'n verdrag niet vereist, maar de ironie wil dat uitgerekend het Verenigd Koninkrijk en de VS die eis zelf wèl plegen te stellen. Het wordt dan wat gewrongen om van Libië opeens te vergen dat het zonder verdrag uitlevert. Diplomaten van de twee landen deelden in de Veiligheidsraad mee dat zij niet uitwaren op formele uitlevering doch slechts op overdracht van de twee verdachten. In die situatie werd het voor de Veiligheidsraad wel moeilijk om uitlevering regelrecht voor te schrijven.

Een open vraag is overigens nog wel of de Raad bij uitblijven van een bevredigend antwoord ook werkelijk tot de gevraagde (beperkte) sancties zal overgaan. Misschien dient het gaatje in de formulering wel vooral om het daar niet op te hoeven laten aankomen.

DE INTERVENTIE van de Veiligheidsraad is in elk geval een opmerkelijke stap vooruit doordat zij het internationale belang bij de berechting van terreurdaden bevestigt. Al was het alleen om acties door één land ondernomen te voorkomen. Vooral de VS zijn daartoe de laatste jaren uit pure frustratie over van staatswege gedekt terrorisme steeds meer geneigd. De Amerikaanse rechter pleegt geen vragen te stellen over de wijze waarop een buitenlandse verdachte voor het hekje is beland. Zo kan een inbreuk op buitenlandse rechtsmacht al gauw voor lief worden genomen. Maar dat is een slechte "Ersatz' voor een internationale rechtsorde.

Wat dit betreft is de boodschap van de Veiligheidsraad luid en duidelijk. De wereld kan Lockerbie niet over zijn kant laten gaan. En Libië kan niet onder zijn verantwoordelijkheid uit.