Het slopen van een president

In de Amerikaanse binnenlandse politiek is niet alleen de grondslag gelegd voor het "maken' van politieke figuren - door middel van reclamecampagnes, het opblazen van de kandidaat tot bovenmenselijke afmetingen, enzovoorts - , maar men heeft daar ook de methode uitgevonden om hem weer vakkundig af te breken, met ongeveer dezelfde technieken, tot er, politiek gesproken, een ruïne op de sokkel staat.

In het plezier van het vakmanschap waarmee de Amerikanen dit werk doen, gaat het uitzicht op ieder politiek doel zoals dat nog in het buitenland wordt waargenomen, verloren. Europees misprijzen klinkt niet volstrekt zuiver: er is geen Europees land, waar de politici niet het een en ander van de Amerikanen hebben opgestoken, en de Nederlanders horen op dit gebied tot de beste leerlingen. In de Verenigde Staten gebeurt het, zoals alles in de publiciteit, radicaler, onbarmhartiger en het duurt langer. Recente voorbeelden van de arbeidsvreugde in het maken en breken zijn Nixon en Carter. Een merkwaardige uitzondering is Reagan: wel gemaakt maar niet gebroken. Dat laatste was niet meer nodig omdat hij ook voor zijn fervenste aanhangers te oud was geworden. Niettemin zou het interessant zijn, te weten wat hem was overkomen als hij, na een staat van dienst als die van Bush, nog voor herverkiezing in aanmerking was gekomen. De grondslag van de moeilijkheden die nu voor Bush oprijzen, is voor een groot deel onder het bewind van Reagan gelegd, en zoals de zaken bij het begin van de verkiezingscampagne staan, wijst bijna alles erop dat Bush aan de beurt is om te worden gesloopt.

Hoe is dat mogelijk? Precies een jaar geleden was hij op weg, de eerste echte Amerikaanse triomfator na 1945 te worden: degene die het land van het Vietnam-syndroom zou genezen. Nadat dit ogenschijnlijk was gebeurd, heeft hij, dankzij zijn minister van buitenlandse zaken, de overwinning kunnen gebruiken om Palestijnen, Israeliërs en de belanghebbende Arabische staten voor het eerst aan de conferentietafel te brengen. Voorzover het om de buitenlandse politiek ging, had hij argumenten genoeg om iedere Democratische kandidaat te verslaan.

Maar zijn de Amerikanen werkelijk van hun Vietnam-syndroom genezen? Misschien hadden ze daar een heel ander geneesmidddel dan een oorlog voor moeten hebben. Dat is meer een vraag voor volkenkundige therapeuten. Van praktisch politiek belang is het dat Saddam nog aan de macht is, in Bagdad resideert alsof er niets is gebeurd en, tot verdriet van Amerika's Arabische bondgenoten, alweer bezig is met zijn herbewapening. Zo zit hij Bush op twee manieren dwars. In de Ameriaanse verkiezingsstrijd is zijn durende aanwezigheid voor de Democraten een geschenk uit de hemel, ongeveer zoals de gijzelaars in Teheran dat voor Reagan waren in zijn campagne tegen Carter. Dat is Amerikaanse binnenlandse politiek. Belangrijker is de internationale kant: het zich blijkbaar herstellende Irak van Saddam ondermijnt het Arabische deel van de vorig jaar moeizaam tot stand gebrachte coalitie (als die nog bestaat), en de coalitie - in politiekdiplomatieke zin - is weer nodig om het "vredesproces' in het Midden Oosten althans nog een schijn van toekomst te geven.

Moet om die redenen weer een militaire campagne tegen Bagdad worden begonnen? Saoedi-Arabië dringt erop aan; "lekkages' in Washington wijzen erop dat er een ouverture tot een zenuwenoorlog is ingezet, zoals men weet de voorbereiding tot de militaire actie. Dit zou de ware ironie van het lot zijn. Gesteld dat Bush zich laat verleiden, aan een zo hachelijke, en ongetwijfeld impopulaire onderneming te beginnen, gesteld dat Saddam er opnieuw springlevend uit tevoorschijn komt: bevindt Bush zich dan niet in de positie als die van Carter na de mislukte poging tot bevrijding van de gijzelaars? Zoals de zaken er nu voorstaan, heeft Saddam de kans een krachtige bijdrage te leveren tot de nederlaag van Bush aanstaande november. Bij dat vooruitzicht verdwijnt de genezing van het Vietnamsyndroom naar de achtergrond.

Niet bekend

Vakmanschap in het slopen is nooit voldoende om iemand ten val te brengen zolang hij sterk is en weinig fouten maakt. Dat was het imago van Bush zolang hij zich bezig hield met buitenlandse politiek. Nu is hij aan de verliezende hand op het terrein waar hij als expert werd beschouwd. Binnen zijn partij begint men afscheid van hem te nemen en bij de Democraten ontstaat, nog geen jaar na de overwinning die de president kwetsbaar had moeten maken, de hoop dat ze zelf weer een kans op het Witte Huis maken, als ze tenminste een kandidaat vinden van wie niet op het nippertje een overspelige periode of een verblijf in een psychiatrische kliniek wordt onthuld.

Alle Amerikaanse presidentsverkiezingen na 1945 - hoe uiteenlopend de inzet ook was - hadden één eigenschap gemeen. Als in het verkiezingsjaar de campagnes eenmaal op gang waren, had men de indruk dat daarvoor de wereldpolitiek was stilgelegd. Destijds hield de wereldpolitiek zich daar min of meer aan. Nu niet meer, en des te minder naarmate het schouwspel Amerikaanser wordt.