De Zilvervloot

En áááááááppeltjes van Oranje!

Soms staan we, als volk, als één man op om weer eens dat oud-vaderlandse lied te zingen.

Piet Hein, Piet Hein!

Dat lied van dat we vochten als leeuwen en ons en passant wat Spaanse matten en andermans appeltjes van Oranje toeëigenden.

Dat we kropen als katten in 't want, maar vooral niet vergaten de brokken goud en de dukaten te rollen.

We galmen dat lied nu wel uit heldere keel, denkend op onze bruiloften en partijen elkaar toe te roepen dat we nog altijd jongens van stavast zijn en helden, maar we realiseren ons niet dat we er in diepste zin een mythe van onze volksziel mee bezingen.

Niet de mythe dat we vechtende leeuwen en katten in 't want zijn. Jan Pieter Heijne zinspeelde er in de tekst al op dat zijn tijdgenoten, die van de negentiende eeuw, zich soms liever veilig en stil in hun hangmat verstopten.

De hangmat is voor de twintigste-eeuwse Nederlander het natuurlijke milieu geworden.

De mat waarin hij nog altijd zijn droom van andermans appeltjes droomt. De droom van het plunderen en op rooftocht uitgaan, het toeëigenen van wat hem niet toekomt.

Het zit er diep in bij de nieuwe generaties.

De zilvervloot van de steuntrekkers. De zilvervloot van de uitkeringen. De droom van al de mensen die wachten op andermans geld.

Ik weet, de verzorgingsstaat is een grote verworvenheid. Driemaal een toast op het sociale vangnet. Dat er geen gaarkeukens meer zijn en stempellokalen, dank de heer met snarenspel.

Ik weet bovendien, veel steuntrekkers hebben geen keus.

Maar daar gaat het me niet om. Het gaat er me om dat wachten geen bevrediging kan schenken. Dat wachten lamlendig maakt.

Ook dat is begrijpelijk, geen spat minder begrijpelijk dan dat je van regen nat wordt en van rijkdom arrogant, maar het neemt niet weg dat er een heel nieuwe generatie is opgegroeid voor wie andermans geld geen voorrecht is, geen zegen, maar eenvoudig iets waar men recht op heeft.

Een generatie van fiere jongens die er geweten of ongeweten, een plundermentaliteit op nahoudt.

Hun daden zijn klein, maar hun rechten groot.

Men heeft er het volk het gevoel mee ontnomen van plicht, wederdienst en initiatief. En het heeft - wat het allerergste is - van de Nederlanders hoofdpijnverwekkende klagers gemaakt.

Geen klagers omdat ze iets niet kunnen, maar klagers omdat ze iets niet krijgen.

Bij elke tegenslag en bij ieder pijntje is het een ander die het heeft gedaan.

Ze wijten nooit meer iets aan zichzelf. Niets is ooit meer het gevolg van hun eigen gedrag of wangedrag.

Het liefst zouden ze de hele dag willen doorklagen. Als ze de tijd hadden stonden ze klagend op en gingen ze klagend naar bed, de tussenliggende periode overbruggend met geklaag.

Maar goddank besteden ze ook nog een gedeelte van hun tijd aan rukken en televisiekijken.

Een niet onaanzienlijk gedeelte van hun tijd, mogen we wel zeggen.

Het is een hele geruststelling dat de nieuwe helden van het vaderland zelfs onvermoeibare rukkers en televisiekijkers zijn, anders hoorden we hun geklaag de hele dag door.

Het geklaag vanuit de hangmat over hun financiële toestand die altijd de schuld is van de staat.

Niet dat ze er enig idee van hebben wat het mag voorstellen, de staat.

Meestal zien ze die belichaamd in een of andere minister die ze toevallig kennen van de televisie. Wel meteen bij zijn voornaam, natuurlijk.

De zilvervloot is voor de moderne Nederlander een Wim, Piet of Hein die hij stomtoevallig heeft gezien toen hij, tussen twee zelfbevredigingen door, even zijn wimpers optilde.