Aanpassing door speciaal onderwijs; Door Nederlands onderwijs met islamitische signatuur kunnen islamitische kinderen zich uitstekend in Nederland gaan thuisvoelen

Grondwet, artikel 23 lid 2: Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.

Tegen de oprichting en inrichting van islamitische scholen in Nederland kan geen enkel bezwaar bestaan indien voldaan wordt aan de voorwaarden die de Grondwet in artikel 23 aan de vrijheid van onderwijs verbindt. Dit artikel en in het bijzonder het tweede lid daarvan, kwam tot stand na lange "onderwijsstrijd'. Al in 1798, ten tijde van de Bataafse Republiek kende Nederland een regeling betreffende het onderwijs. Deze regeling blonk uit in zorg over de kwaliteit van de verspreiding van de verlichting en de beschaving.

Vervolgens heeft ons land nog veel wetgeving op dit terrein gehad. Belangrijk is vooral dat het liberalisme in 1848 een overwinning behaalde met de aanvaarding van het beginsel van de vrijheid van onderwijs, behoudens (uiteraard) het toezicht van de overheid. Daarna was er nog lange strijd, de zogeheten "schoolstrijd' tussen de confessionelen en de liberalen over de gelijkstelling in bekostiging van het openbare onderwijs en het bijzondere - lees: op protestants-christelijke of rooms-katholieke opvattingen gebaseerde - onderwijs. In 1917 eindigde deze strijd met de "onderwijspacificatie'. Een en ander heeft geleid tot een in ons land bij de wet geregelde situatie waarin onder andere op basis van de vrijheid van richting en eisen gesteld aan de deugdelijkheid (qua onderwijs en leerkrachten), naast openbare scholen ook scholen op bijzondere grondslag zijn gesticht en al jarenlang bestaan. Zo geven de Grondwet en de geschiedenis die aan het artikel over de vrijheid van onderwijs vooraf ging, aan ouders dus de gelegenheid om voor hun kinderen die opvoeding en vorming te kiezen die overeenkomt met hun reglieuze of maatschappelijke inzichten.

Islamitische scholen zijn opgericht en functioneren in overeenstemming met de eisen die in de wet zijn geformuleerd. Zo op het oog een gebeurtenis die perfect past in de heersende opvattingen in Nederland ten aanzien van het onderwijs. Men hoeft immers voor bijzonder in plaats van protestants of rooms-katholiek nu enkel het woord islamitisch te lezen. Desondanks ontstond er door toedoen van liberale Tweede Kamerleden een omvangrijke discussie over de vraag of een dergelijk initiatief wel past in een op integratie van minderheden gericht politiek beleid.

Integratie van minderheden is echter niet de kwestie die hier werkelijk aan de orde zou moeten zijn en zo er van dat probleem toch al sprake is, valt nog te bezien of de integratie van mensen met een onderwijs-achtergrond die op islamitische leest is geschoeid niet juist beter gediend is bij oprichting en inrichting van deze scholen. Als we onze Grondwet serieus nemen, dan geeft de oprichting en instandhouding van deze scholen geen enkele aanleiding tot discussie. Er is gehandeld in overeenstemming met een - na lange strijd verkregen - grondrecht. Waren het niet juist de liberalen die zich daarvoor zo ingespannen hebben in de achter ons liggende eeuw?

Onderscheid tussen protestantse en rooms-katholieke scholen enerzijds en islamitische scholen aan anderzijds is niet geoorloofd op grond van de vrijheid van onderwijs en flagrant in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is neergelegd in het eerste artikel van de Grondwet en misschien wel belangrijker - in ieder geval juridisch minder omstreden en rechtstreeks werkend in onze nationale rechtsorde - in artikel 26 van het International Convenant inzake de Burger- en Politieke Rechten. De gevolgen van de grote toevloed in ons land van mensen met een islamitische levensovertuiging in de jaren zestig en zeventig, vinden hun weerslag in het basisonderwijs net zoals de confessionele geschiedenis haar weerslag heeft gehad op het aantal reeds bestaande bijzondere scholen.

De andere, wellicht belangrijkere vraag is of de oprichting en inrichting van islamitische scholen de integratie van deze mensen in de Nederlandse maatschappij dient? Onzuiver is dat de kwestie van de islamitische scholen, hoewel juridisch geheel correct vormgegeven, wordt aangegrepen een emotioneel beladen onderwerp als de integratie (van islamieten) in onze samenleving ter discussie te stellen. Dit is naar mijn mening onterecht. Gesuggereerd wordt dat deze scholen het afzonderen van de islamieten bevorderen en dientengevolge de integratie verslechteren. Daarmee worden twee zaken door elkaar gehaald. Want men wil de oprichting en inrichting van protestants-christelijke en rooms-katholieke scholen toch niet opnieuw ter discussie stellen? Met dat verschijnsel zijn we in onze samenleving zo vertrouwd geraakt dat dat niet de bedoeling kan zijn.

Nederland wordt nu geconfronteerd met de gevolgen van het beleid dat precies één generatie geleden is gevoerd. Om het sterk overdreven uit te drukken: het inhuren van buitenlandse arbeidskrachten die bereid zijn geweest een aantal werkzaamheden in onze economie voor hun rekening te nemen. Wat daar van zij, het is een feit dat deze werknemers inmiddels een stek in ons land gevonden hebben en geheel terecht toe zijn aan de tweede fase van het ingeburgerd raken, namelijk de oprichting van hun eigen scholen. Ook protestanten en katholieken hebben het van een groot belang geacht scholen met eigen signatuur in te richten. Dit is een van de basisbeginselen van onze multiculturele samenleving waar onder de vlag van verdraagzaamheid een botsing van waarden, altijd mogelijk is geweest en altijd mogelijk moet zijn.

De kwestie van de integratie van de kinderen die onderwijs volgen aan deze scholen staat nu - nogmaals ten onrechte - ter discussie. Ik neig ertoe te stellen dat kinderen van islamitische scholen door de vertrouwdheid van dit onderwijs zich meer in het land thuis te gaan voelen waar dat onderwijs gegeven wordt dan indien zij op een school zouden gaan waar dit gevoel vanuit hun optiek afwezig is. Het is immers zo dat op deze scholen Nederlands onderwijs gegeven wordt zoals dat op alle scholen het geval is. Nederlands onderwijs bijvoorbeeld niet met een katholieke signatuur maar met een islamitische signatuur. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze vorm van onderwijs bij de derde generatie islamieten (diegene die de basisopleiding aan de scholen met islamitische grondslag hebben gevolgd) de aanpassing zover zal zijn gevorderd dat de discussie over waarden en normen met betrekking tot groepen van andere religieuze of culturele signatuur achterhaald zal zijn door de feiten.

Het getuigt van een belangrijke mate van integratie dat de acceptatie van deze scholen door wet en samenleving nu gestalte kan krijgen. Immers een samenleving als de Nederlandse kenmerkt zich in belangrijke mate door een diversiteit aan waarden en normen. In een democratische rechtsstaat moet met het oog op juist het beginsel van integratie een discussie tussen de verschillende belangengroeperingen op het niveau van die waarden en normen mogelijk zijn. Hieruit volgt dat de acceptatie van een "multiculturele achtergrond educatie' een van de basis-voorwaarden is waaraan voldaan moet worden om de discussie over integratie van verschillende culturen een diepere dimensie te geven.

Het lijkt mij een winstpunt dat onze samenleving met de garantie van grondrechten en beginselen van de democratische rechtsstaat als tolerantie en een pluriform model van waarden inmiddels zo ver is gekomen dat de integratie van buitenlanders bereikt kan worden, zij hebben zelfs al scholen opgericht. Moet men zich niet gerust stellen met de gedachte dat het juist een groot goed is dat het Nederlandse respect voor de grondrechten en de islamitische medemens, die een even groot genot van die grondrechten kan, mag en moet hebben, nu in praktijk gebracht kan worden met het respect voor de islamitische scholen.