Vrijwilligers geven asielzoekerscentrum luxe status

ALKMAAR, 21 JAN. Door de bar van het Alkmaarse asielzoekerscentrum "de Vluchthoeve' schalt Arabische muziek. Een Egyptische vrouw in korte rok, een sjaal strak om haar heupen gebonden, voert een sensuele buikdans uit. Op een stoel tegen de muur zit in djelaba gehuld, een vrouw van middelbare leeftijd. Ze is op haar kin en voorhoofd getatoeëerd. Op haar schoot zit een zwart Somalisch meisje. Samen klappen ze in hun handen. De moeder van het meisje zit een paar stoelen verderop. Ze heeft een tulband op en draagt over haar kleurrijke gewaden een oude winterjas.

In dit tijdelijke onderkomen voor asielzoekers, door de medewerkers aangeduid als "het centrum', zijn vijfentwintig mensen in vaste dienst. Het centrum biedt onderdak aan gezinnen en alleenstaande mannen. De ongeveer driehonderdvijftig asielzoekers vertegenwoordigen bijna dertig nationaliteiten. Er zijn in Nederland 29 AZC's die aan ongeveer tienduizend mensen onderdak bieden. Directeur mr. R. van Lidth de Jeude, aarzelt niet De Vluchthoeve een "driesterrencentrum' te noemen. “Zeker als je ziet wat voor extra voorzieningen er hier zijn.” Er werken tussen de vijfenvijftig en zestig vrijwilligers. Zonder hen zijn die voorzieningen niet draaiende te houden.

Irene, een "jongere oudere', staat achter de bar en schenkt koffie. Aan vrouwelijke asielzoekers wordt iedere ochtend de gelegenheid geboden om in de bar onder elkaar zijn. Mannen worden dan geweerd. Van iedere bevolkingsgroep zijn muziekcassettes voorhanden. Om de zoveel tijd roept Irene naar Georgette uit Syrië: “Nu Turkse muziek!” Of: “Zet er maar weer een Somalisch bandje op.” Voor "het gejengel', zoals ze de muziek noemt, staat Irene niet achter de bar. Het vreedzaam en vrolijk samenzijn van de vrouwen is een van de redenen voor haar om in het AZC te blijven werken. “In hun eigen land hebben ze oorlog met elkaar, maar hier dansen ze samen.”

Alle medewerkers hebben hun eigen motieven om in het AZC te werken. Emmy van het maatschappelijk werk noemt het "een voorrecht' om op De Vluchthoeve te werken. “Als je ziet wat een levenslust mensen tentoonspreiden die de verschrikkelijkste dingen hebben meegemaakt. Wij zijn in onze cultuur gewend te kijken naar zwakte, maar hier kan je zien wat een kracht die mensen kunnen hebben.”

Een collega van haar noemt ter illustratie de naam van een Somalische vrouw. Mevrouw Ponto is met vijf kinderen uit Somalië gevlucht. Ze heeft nu de C-status gekregen, de voorlopige verblijfsvergunning. Haar zwaar gehandicapte zoontje kan naar de mytylschool in Bergen gaan. Een Engelssprekende landgenote vertaalt haar verhaal. Wanneer deze vrouw gevraagd wordt naar háár kinderen stokt het verhaal, daar kan ze niet over praten.

Van mensen die asielzoekers alleen maar willen helpen omdat ze zo zielig zijn, moet Femke niets hebben. Femke is verantwoordelijk voor de "activiteiten-begeleiding'. Ze draagt geen activiteiten aan, maar laat mensen zelf met initiatieven komen. “Anders maak je ze maar afhankelijk van andermans initiatieven.” Uitjes naar het Tropenmuseum en Madurodam behoren tot de incidentele activiteiten. Vooral op sportgebied zijn mogelijkheden gecreëerd: van fitness en zwemmen tot volley-, voet- en basketball.

Overal zijn oudere mannen te zien die met een lege blik voor zich uit zitten te staren. Vrouwen hebben vaak nog hun kinderen om zich mee bezig te houden en kinderen houden zichzelf wel bezig. Veel jonge jongens lopen met een harde uitdrukking op hun gezicht rond. Voor hen duurt het nietsdoen erg lang. “Gisteren gingen die gasten onder het basketballen met elkaar vechten”, zegt Myrtel, een Surinaamse welzijnswerkster van begin twintig. “Balen was dat. Gaan ze een beetje macho doen.”

Op een bord staat op de dagen dat gesport kan worden om en om "Iraniërs' en "Somaliërs' geschreven. “Dat wilde vroeger wel eens uit de hand lopen”, legt Femke uit. “Toen liet ik ze bij me komen en samen een rooster maken. Dat was verder geen probleem. De ene dag ging deze groep, de andere dag de andere. Zaterdag gingen de Iraniërs sporten, want dan zaten de Somaliërs bij elkaar "qat' te kauwen. Een of ander blad”, legt ze uit, “dat bitter smaakt en geestverruimend schijnt te zijn.”

Het sporten is in handen van vrijwilligers. Net zoals de cursus Nederlands. In een benauwd gewelf zitten "de intellectuelen van het centrum', zoals ze gekscherend worden genoemd. Een vrouw, met een kruis op haar middelvinger getatoeëerd, volgt de tekeningen op het stencil en prevelt mee: “Tomaat, aubergine, courgette.” Ook van de bibliotheek en de studiezaal wordt gretig gebruik gemaakt. Wanneer een Indonesiër ons gewaar wordt, geeft hij lachend zijn nieuwst verworven kennis door: “De vader van Jan woont in een huis van steen”.

Allen die worden aangesproken zeggen weg te willen uit het AZC. Maar de beschikbaarstelling van ROA-woningen, regeling opvang asielzoekers, stagneert. “Al zeven maanden hier”, zucht een magere, blonde vrouw uit het voormalige Joegoslavië. Een medewerksters zegt dat deze wachttijd uitzonderlijk is, meestal duurt het minder lang. Maar in dit geval speelt de afkomst van de vrouw mee. “Veel gemeenten willen geen zigeuners meer.”

Het wachten valt velen zwaar. Soms uit zich de opgekropte frustratie in vandalisme en agressie. Tijdens de middagvergadering constateert een medewerkster dat een aantal mensen "depri' is. Zijn mensen echter eenmaal uitgeplaatst, zo wordt verteld, dan komen vaak de problemen. “Hier ben je toch redelijk beschermd. In een ROA-huis missen ze de aanspraak die ze hier hebben.”

Vanuit haar bureau ziet Femke hoe een aantal vrijwilligsters op leeftijd een wankele stellage op kleine wieltjes, hoog opgetast met broeken, rokken en jassen, naar de tweedehandskledingwinkel duwt. Femke moet, net zoals alle andere medewerkers, vaak opboksen tegen het vooroordeel dat de meerderheid van de asielzoekers niet op de vlucht is voor geweld, maar alleen wil snoepen uit de vetpotten van het Westen. Ondanks alle heersende vooroordelen blijf ze - gezien de overweldigende hulpvaardigheid - optimistisch over de tolerantie in Nederland.