Troefkaart: vergeelde aforismen in geparfumeerde taal

Voorstelling: De troefkaart, van Gabriela Zapolska, door Haarlems Toneel. Spelers: Anne-Wil Blankers, Eric van der Donk, Aafke Bruining en Jim Berghout. Decor en kostuums: Marjoke Henrichs. Regie: Joanna Bilska. Gezien: 20/1 in De Meervaart, Amsterdam; 23 t/m 26/1 in de Koninklijke Schouwburg, Den Haag, daarna elders.

De inspeciënt staat, terwijl het zaallicht nog aan is, al pontificaal op het voortoneel op een vogelfluitje te kwinkeleren. Hij heeft voorts onder meer een windmachine, een houten erwtenbak (stortregen) en een plaat metaal (onweer) tot zijn beschikking. Daarvan zal hij tijdens de voorstelling, weet ik nu, nog ruimschoots gebruik maken. Na de pauze overstemt hij zelfs een als cruciaal bedoelde scène door een volle gieter tergend langzaam te ledigen in een teiltje. Bovendien loopt hij af en toe door de scène, bijvoorbeeld om één van de personages een vuurtje te geven.

Meer dan een gimmick kan ik in die knipoog naar de negentiende-eeuwse schouwburg niet zien, want verder verloopt De troefkaart in de regie van Joanna Bilska ongeveer zoals het de Poolse schrijfster Gabriela Zapolska in 1909 voor ogen moet hebben gestaan: een elegante huwelijkskomedie met toefjes rococo, waarin na alle ondeugd tenslotte de gewenning aan de bestaande banden zegeviert - en in háár tijd werd dat ongetwijfeld opgevat als een happy end.

Het nieuwe Haarlems Toneel stelt zich voor klassiekers en blijspelen af te wisselen, volgens de oude repertoiretoneel-formule. Het eerste seizoen werd geopend met Schuld en boete, nu is de beurt aan de lichte toets. Maar ik had mij een gelukkiger keus kunnen voorstellen dan het stuk, waarmee Zapolska in eigen land faam heeft verworven. De schrijfster introduceert een echtpaar van middelbare leeftijd tijdens een logeerpartij bij een pas getrouwde neef en nicht. De oudere vrouw moedigt aanvankelijk de flirt van haar man met het jonge meisje aan, uit ervaring wetend dat zij nadien de vruchten van zijn hitsigheid zal plukken. Als die affairette echter de grens van het fatsoen overschrijft, moet ze alle zeilen bijzetten om de zaak weer in evenwicht te brengen. Dat de jonge neef daarbij van doorslaggevend belang is, zagen we al aankomen.

Hoewel haar thema - de gelijkberechtiging van de vrouw - geldigheid heeft behouden, schiet de schrijfster ruim negentig jaar na dato met haar intrige en haar dialogen schromelijk tekort. De troefkaart is lang niet zo gehaaid uitgewerkt als het enigszins vergelijkbare Les liaisons dangereuses en de conversatie klinkt nu als een collectie vergeelde aforismen over de vrouwelijke schoonheid en het geheim van een goed huwelijk.

In een gracieus decor van transparante zuilen en zoet pastel doen de acteurs wat ze kunnen om de gekunstelde constructie en de geparfumeerde taal (“Sta me toe jou te melden, vriendin, dat ik niet in de stemming ben...”) tot leven te brengen. Anne-Wil Blankers werpt al haar komedie-raffinement in de strijd, maar kampt met de eentonig-geamuseerde toon die haar is opgedragen. Eric van der Donk maakt van haar echtgenoot een vader-gaat-op-stap-type met geile sprongetjes en wapperende armen, een boemelbaron die dat jonge ding wel eens even zal verschalken. Pas hun uiteindelijke berusting krijgt enig reliëf, al die tijd daarvóór kunnen ook zij niet verhelen dat De troefkaart wegens gebrek aan esprit allang geen tinteling meer teweeg brengt.