Overlegeconomie weer onder vuur

Er ontstaat een steeds onbehaaglijker verhouding tussen de politiek en de overlegeconomie.

Thijs Wöltgens, de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer, die al eerder het primaat van de besluitvorming voor de politiek had opgeëist, is opnieuw in de aanval gegaan. In het blad van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond, De Werkgever - blijkbaar het orgaan bij uitnemendheid voor dit soort discussies - betoogt hij in nog wat fermere taal dat de "bezem door de adviesorganen moet'. De Sociaal-Economische Raad (SER) moet naar zijn mening een minder prominente rol spelen. Het kabinet moet de raad minder gebruiken als "parkeerhaven'.

Volgens Wöltgens is onze overlegeconomie ontaard in een situatie waarin de overheid zichzelf ernstig heeft verlamd bij het nemen van besluiten. De aanpak van de WAO vindt hij een treffend voorbeeld van een gebrek aan daadkracht. Naar zijn mening moeten de onafhankelijke kroonleden van de SER een zelfstandiger rol krijgen. De Commissie economische deskundigen van de SER zou een onafhankelijke positie moeten krijgen als adviseur over de grote lijnen van het economisch beleid. Hij kan zich verder "best voorstellen' dat de SER en de Stichting van de Arbeid in elkaar zouden opgaan. Het kabinet vraagt immers vaak eerst advies aan werkgevers en werknemers in de Stichting om vervolgens dezelfde sociale partners over hetzelfde onderwerp te laten adviseren in de SER.

De socialistische fractieleider komt met deze voorstellen in de buurt van de fractievoorzitter van de VVD, Frits Bolkestein, die eerder heeft voorgesteld de Sociaal-Economische Raad in zijn huidige vorm af te schaffen en een scheiding aan te brengen tussen advisering en belangenbehartiging. Naar zijn mening zouden werkgevers en werknemers de SER moeten verlaten, zodat er alleen een deskundigenraad overblijft om de regering van advies te dienen.

Dit nieuwe stormpje van kritiek is niet onweersproken gebleven. De voorzitter van de SER, ir. Th. Quené, heeft verklaard op basis van feiten over de overlegeconomie te willen praten, "maar niet op grond van de karikaturen en foute interpretaties van de werkelijkheid die de heer Wöltgens schetst'.

Over de overlegeconomie, die volgens de PvdA-voorman de politieke besluitvorming heeft verlamd, merkt Quené het volgende op: "Onze ingewikkelde samenleving vraagt om politieke besluitvorming die goed is voorbereid, een breed draagvlak heeft en goed uitvoerbaar is. De politiek is doorslaggevend, maar heeft geen alleenvertoningsrecht - de samenleving moet het beleid immers helpen realiseren. De inschakeling van maatschappelijke organisaties is uit democratisch oogpunt van belang. De overlegeconomie is een groot goed, dat een veel zorgvuldiger behandeling verdient dan haar tot nu toe door de heer Wöltgens ten deel valt.'

Inderdaad moet gezegd worden dat zowel Wöltgens als Bolkestein bepaalde zaken door elkaar klutst. De SER kan niet worden gedenatureerd tot een soort Sachverständigenrat, omdat het in onze overlegeconomie nu juist aankomt op de medebetrokkenheid en medeverantwoordelijkheid bij de besluitvorming op sociaal-economisch gebied van de belangengroepen van werkgevers en werknemers. De onafhankelijke leden, die voornamelijk om hun deskundigheid zitting hebben in de raad, hebben meer de functie van wetenschappelijke adviseurs die soms tegenstellingen kunnen helpen overbruggen.

SER en Stichting van de Arbeid hebben elk wezenlijk andere taken. De adviestaak van de Stichting beperkt zich tot onderwerpen die direct de arbeidsverhoudingen betreffen. De SER brengt advies uit over alle belangrijke sociaal-economische beleidsvoornemens van de regering.

Het tegenoffensief van de SER-voorzitter is begrijpelijk en grotendeels terecht. Wie een aantal hoekstenen uit het bouwwerk van het overlegstelsel trekt, haalt het hele systeem onderuit.

De vraag is wel of dit systeem nog functioneel is. Dat zou moeten blijken uit het vermogen van de overleg- en adviesorganen om grote maatschappelijke problemen op te lossen en, zoals de voorzitter van de SER zegt, de maatschappelijke rust te handhaven.

We kunnen vaststellen dat de overlegeconomie in beide opzichten steeds vaker tekortschiet. De vraag bij voorbeeld hoe de verzorgingsstaat moet worden ingericht om houdbaar te blijven kan beter niet aan de SER of de Sociale Verzekeringsraad worden voorgelegd. Het staat immers bij voorbaat vast dat daar geen eenstemmig en bruikbaar advies van kan worden verwacht. Daarvoor lopen de standpunten van de verschillende belangengroepen te veel uit elkaar. Als het om een hervorming van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid gaat hebben ze juist weer te veel belangen gemeen om een objectief oordeel te kunnen vellen.

In het debat over de toekomst van de sociale zekerheid gaat het voortdurend om de vraag hoe de taakverdeling tussen overheid, sociale partners en vrije markt moet zijn. Niet de overlegeconomie, maar de politiek zal hier knopen moeten doorhakken. Levert het rapport van de commissie-Wolfson hiervoor een bruikbare bijdrage? Als het, zoals sommige commentatoren beweren, in hoofdzaak moet dienen om de onrust binnen de Partij van de Arbeid te bezweren kan het beter terzijde worden gelegd. Ik ben het daar overigens niet mee eens. Het stuk bevat een duidelijke standpuntbepaling en legt de vinger op de kern van de problematiek.

We weten weer dat de Partij van de Arbeid kiest voor een stelsel dat op solidariteit berust. De commissie kiest tegen een "mini-stelsel', waarbij de overheid zich beperkt tot garantie van uitkeringen op minimumniveau en dat is een terechte keuze als men niet wil dat de sociale zekerheid wordt versmald tot een vorm van armenzorg.