Nieuw BW zorgt voor stroom onderhandse aktes; Afspraak Belastingdienst en banken leidt tot efficiënte verwerking pandovereenkomsten

HAARLEM, 21 JAN. De invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek op 1 januari jongstleden heeft de eenheden registratie en successie van de belastingdienst niet bedolven onder het werk. Toch moeten deze eenheden nu per maand zo'n 70.000 onderhandse akten meer registreren dan ze tot nog toe deden. Dankzij een met de banken overeengekomen stroomlijning van de procedure, verloopt dit snel en efficiënt. Het is echter de vraag of de gestroomlijnde procedure voldoet aan het Burgerlijk Wetboek. Wellicht zal de rechter uiteindelijk moeten uitmaken of deze manier van registreren voldoende zekerheid biedt.

Op 1 januari is een belangrijk onderdeel van het zekerheidsrecht veranderd. Tot die datum kon een ondernemer geld lenen, bijvoorbeeld van een bank of een factoringmaatschappij, door vorderingen of goederen zoals apparatuur en meubels tot zekerheid over te dragen, zodat ze eigendom werdden van de bank. De ondernemer kreeg dan zijn spullen weer in bruikleen van de bank tot hij zijn lening had afgelost. Als de ondernemer zijn betalingsverplichtingen op die lening niet nakwam kon de bank eventueel de goederen of vorderingen te gelde maken. Deze constructie is onder het Nieuw Burgerlijk Wetboek niet meer rechtsgeldig. De ondernemer blijft eigenaar van de goederen, respectievelijk crediteur van de vorderingen.

Overigens heten stoffelijke goederen sinds 1 januari volgens de termen van het NBW "zaken'. "Goederen' is nu een algemener begrip, dat naast zaken ook rechten omvat. Dit is zelfs voor juristen verwarrend.

Uiteraard wil de bank toch een zekerheid tegenover een lening hebben. Daartoe kunnen de goederen en vorderingen aan de bank worden verpand. De bank kan ze dan opeisen als de ondernemer zijn verplichtingen niet nakomt.

Welke goederen en vorderingen worden verpand moet in een overeenkomst tussen de bank en de ondernemer worden vastgelegd in een akte van stil of bezitloos pandrecht. Dat kan in de vorm van een akte die door de notaris wordt gemaakt, of in een onderhandse akte. Een onderhandse akte moet dan wel worden geregistreerd bij een eenheid voor registratie en successie van de Belastingdienst.

Registratie zal vrijwel altijd de voorkeur genieten, want dat kost slechts ƒ3,50, terwijl een notariële akte al snel honderden guldens kost. Het belangrijkste rechtsgevolg van registratie is het zekerstellen van de datum waarop de akte ter registratie is aangeboden. Die datum is van belang bij vaststelling van prioriteit als een bepaalde vordering meer dan eens is verpand. De pandhouder met de oudste rechten gaat dan voor.

Om te bekijken hoe die stroom van te registreren aktes efficiënt kon worden verwerkt, vormden de eenheden registratie en successie een werkgoep pandrecht. Deze ging om de tafel zitten met de Nederlandse Vereniging van Banken en de drie grootste banken.

ABN/Amro, NMB-Postbank en de Rabobank zijn samen goed voor zo'n 90 procent van de stroom van gemiddeld 70.000 aktes per maand. Ter vergelijking: de eenheden registratie en successie registreerden tot dan toe ongeveer een miljoen notariële akten en 600.000 onderhandse akten per jaar. De banken stemden ermee in niet elke verpande vordering afzonderlijk te laten registreren, maar per ondernemer een computeruitdraai van vorderingen of goederen te accepteren.

Vervolgens kwam men overeen de veelal vele pagina's tellende uitdraaien niet zelf te laten registreren. Dit zou namelijk een enorm papiertransport van en naar de Belastingdienst veroorzaken. De uitdraaien worden daarom op een registratieformulier aan de hand van een beperkt aantal kenmerken beschreven, zoals eerste en laatste item, aantal items en datum. Alleen dit registratieformulier, dat uit één velletje A4 bestaat, gaat naar Belastingdienst en wordt daar geregistreerd. Het formulier wordt zowel door de ondernemer als door de bank ondertekend. De lijst met vorderingen blijft bij de bank.

“Wij controleren dus niet wat er in het stuk staat”, benadrukt G. de Korte, hoofd van de eenheid registratie en successie in Haarlem en voorzitter van de werkgoep pandrecht. “Het verkrijgen van rechten kan alleen op de vorderingen zelf. Iedere indirecte registratie is voor risico van de bank. Wil je zeker weten dat de inhoud klopt, dan moet je een authentieke akte laten passeren bij de notaris.”

Derde stap in de stroomlijning is dat elk bankkantoor maar een keer per week een pakket formulieren ter registratie aanbiedt, voorzien van een omslagvel waarop staat om hoeveel akten het gaat en een machtiging om de kosten à ƒ 3,50 per formulier af te schrijven van de rekening van de bank. De bank moet zelf weten of zij deze kosten doorberekent aan de ondernemer. Aangezien er ongeveer 2000 lokale bankkantoren zijn en 10 eenheden registratie en successie, krijgt elke eenheid wekelijks gemiddeld in de orde van 200 pakketjes formulieren van de banken ter registratie aangeboden. Door de afspraken over de indeling van de formulieren zijn deze pakketjes snel te verwerken.

Nadat ze zijn geregistreerd gaan de formulieren terug naar de banken, die ze vervolgens diep in hun archief stoppen. Zelf werken ze slechts met de computeruitdraaien met vorderingen. Alleen als de bank zekerheden wil opeisen, komt het formulier uit het archief.

Dan doet zich ook meteen een juridisch probleem voor. Immers, de precieze inhoud van de pandovereenkomst - de lijst van vorderingen - is niet geregistreerd, maar alleen een zeer beknopte beschrijving ervan. De ondernemer, of een andere schuldeiser, zou kunnen betwisten dat die beschrijving op de desbetreffende overeenkomst betrekking heeft.

Minister Hirsch Ballin van justitie antwoordde vorige maand op vragen hierover van het Eerste-Kamerlid Korthals Altes (VVD): “Dat de akte verwijst naar een ander stuk, doet bij voldoende bepaaldheid van de verpande vorderingen aan de hand van die verwijzing aan de geldigheid van die verpanding niet af.” Uiteindelijk zal de rechter in een concreet geval eventueel moeten besluiten of er sprake is van “voldoende bepaaldheid” en de registratie inderdaad op die overeenkomst betrekking heeft, zodat de bank dus met recht de in de lijst opgenomen vorderingen kan opeisen. “Als deze vorm van registratie volgens de rechter onvoldoende zekerheid biedt, ontstaan grote uitvoeringsproblemen”, aldus De Korte, “zowel voor de banken als voor ons. Dan lijkt me een wetswijzinging onvermijdelijk.”

Elke schatting van de werklast die de registratie met zich meebrengt is vooralsnog koffiedikkijken, vindt De Korte. Het aantal wekelijkse pakketjes met formulieren blijkt in eerste instantie zelfs mee te vallen, omdat niet elk bankkantoor elke week een pakket inlevert. Ook hebben sommige pandhouders besloten de overeenkomsten centraal te bundelen en in één keer aan te bieden. En mochten op piektijden de stapels formulieren te groot worden, dan zijn al voorzieningen getroffen om snel tijdelijk personeel aan te trekken, opdat er geen al te grote achterstand ontstaat. De Korte: “Zoals het er nu naar uitziet kunnen we het aan met de huidige bezetting.”