Na de dood van moeder

Vader en zoon Verstraaten zijn al drie kwartier voor de zitting van de Arnhemse politierechter aanwezig. Enigszins bedremmeld zitten ze op fluistertoon aan een tafel in de hal te beraadslagen met de advocaat, mr. R. van den Wildenberg. Plotsklaps klatert achter de gesloten deuren van de kleine zaal de vrolijkheid van een klein, goedgemutst gezelschap op. Je hebt lachen en je hebt schateren, maar dit is schateren. Homerisch.

Op de gang kijkt men bevreemd op. Er is geen verdachte binnen, dus wat is er gaande? Is de rechter aan het stoeien geslagen met mevrouw de officier en mevrouw de griffier? Haasje over? Kijken of het lukt in die lange toga's? Of, meer in stijl, gewoon diefje-met-verlos? Het blijft een raadsel, want als de verdachte even later door de bode wordt binnengeroepen, staan alle gezichten weer op uitgestreken.

Zoon Verstraaten is een 32-jarige, goed formulerende man met een verzorgd uiterlijk. Zijn grijzende vader neemt in regenjas plaats op de achterste bank in de zaal. Er valt voor hen weinig te lachen, dat wordt snel duidelijk. De vader deed bij de Nijmeegse politie aangifte van het feit, dat zijn zoon van hem drie girocheques had gestolen en vervolgens valselijk had ondertekend en verzilverd. Schade: 1.100 gulden. Het was al de derde keer dat het gebeurde.

Een vader die zijn eigen zoon aangeeft - dat ruikt naar wanhoop. De zoon is vanaf 1985 een gokverslaafde. Hij is er in klinieken meermalen voor behandeld, maar niets helpt.

“Uw vader heeft aan de noodrem getrokken”, constateert de rechter, mr. P. Brouns. “U woont nu weer bij hem in, hij beheert uw financiën, heb ik begrepen. Dat is toch wat voor iemand die bijna 33 is. Hoe komt het dat al die behandelingen mislukken?”

“Omdat ze niet voor mij geschikt zijn.”

“Wat is dan wèl geschikt voor u?”

“Een behandeling die erop gericht is mij maatschappelijk te laten functioneren.”

“Welke opleiding heeft u?”

“HAVO en daarna zes jaar een opleiding voor sociaal-cultureel werk.”

“En wat heeft u verder gedaan?”

“Allerlei baantjes.”

De rechter zucht. “U leidt een leven dat weinig extern houvast biedt. U heeft die opleiding niet afgemaakt. Daar zou u toch wat aan moeten doen.”

“Ik zou het moeten proberen”, zegt de zoon, weinig overtuigd.

“Hoe gaat het nu met het uitgeven van geld?”

“Goed. Ik ben nu gokvrij. Het is al eens eerder een periode van een half jaar goed gegaan, maar als bepaalde dingen tegenzitten...”

De rechter wenkt de vader naarvoren. “Ik zal u niet beëdigen, gaat u maar even naast uw zoon zitten.”

“Ik begrijp dat u met de aangifte een weg bent ingeslagen die u niet heeft gewild”, zegt de rechter.

“Nee”, zegt de vader. “Ik wist niet wat ik moest doen, maar ik heb wèl tegen de Nijmeegse politie gezegd: ik doe dit niet om hem voor de rechter te krijgen.”

“Maar bij een strafbaar feit zit dat risico erin”, zegt de rechter. “U was ten einde raad?”

“Ja. Er wordt zo weinig aan dit probleem gedaan. Er komen steeds meer van die ellendige gokkasten. Wat moet je eraan doen? Deze jongen zit in een leegte. Hij heeft geen werk. Het is allemaal in 1984 begonnen met de dood van zijn moeder. Ik heb zo vaak tegen de sociale dienst en het arbeidsbureau gezegd: doe er iets aan.” Hij haalt diep adem. “Dit is er nu van hem terechtgekomen”, vervolgt hij bitter. “Ik vind het verschrikkelijk.”

De laatste tijd bespeurt de vader enige vooruitgang. Vroeger was zijn zoon vaak onbereikbaar voor hem, steeds weer vluchtte hij weg in een isolement. Nu hij thuis is, hebben ze weer een beetje contact, al neemt de zoon hem de aangifte nog steeds kwalijk.

“Hij was altijd de beste van de klas”, zegt de vader. “Met al zijn kennis heeft hij niets gedaan. En als hij niets met zijn hersens wil, laat hij dan toch wat met zijn handen doen.”

De zoon zit er zwijgend bij. Deze woorden heeft hij ongetwijfeld al veel vaker gehoord, maar nu, in de volle openbaarheid, moeten ze aankomen als zweepslagen.

“Heeft u uw vader nog de schade vergoed?” wil de officier van justitie, mevrouw B. Zijlstra, weten.

“Ik heb hem een cadeau gegeven”, zegt de zoon.

“Trekt u uw aanklacht in?” vraagt ze aan de vader.

“Ja.”

“Er is recht op strafvervolging”, zegt de officier, “maar hoe breed is de reikwijdte voor het openbaar ministerie als de vader zegt: ik wil geen vervolging? Een straf kan nuttig zijn ten opzichte van de maatschappij, maar het lijkt me in dit geval weinig zinnig. Ik eis: schuldigverklaring zonder straf.”

De advocaat is het oneens met de aanpak van de Nijmeegse politie en het openbaar ministerie. “De vader ging niet naar de politie voor een strafrechtelijke dreiging, maar om zijn nood uit te spreken. Hij wilde dat ze zijn zoon op het bureau lieten komen. Als men op het openbaar ministerie de aangifte goed had gelezen, dan zou het nooit tot een dagvaarding zijn gekomen. Dan zou men vader en zoon gewoon op het parket hebben laten komen.”

“Ik weet niet of dit juist is”, reageert de rechter. “Er zijn normen die het individuele te boven gaan.” En tegen de verdachte: “U bent schuldig aan een strafbaar feit, maar gezien de omstandigheden zal ik geen straf opleggen. U kunt in hoger beroep gaan.”

“Ik zou afstand doen”, zegt de advocaat snel.

“Ja”, zegt de zoon.

Uit zijn houding spreekt een meegaandheid die aan moedeloosheid grenst. Het is alsof de rechter dat aanvoelt. “Ik hoop dat het nu beter met u gaat”, zegt hij. “Dat u zich als een baron von Münchhausen uit het moeras trekt. U heeft een goed stel hersens, gebruik dat toch. En zoek contact met anderen, een mens is een sociaal dier en heeft dat nodig.”

De zoon knikt beleefd en loopt na een korte groet met vader en advocaat de zaal uit.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.