Geluk is niet geen ongeluk hebben

Ernstige financiële problemen van de overheid, een wanverhouding tussen werkenden en niet-werkenden en de noodzaak niet te zeer uit de pas te lopen met de EG-partners waren nodig om oog te krijgen voor de bezwaren van onze omvangrijke verzorgingsstaat. Kenmerkend voor deze trend was een artikel van A.F. van Zweeden onder de titel "Gemeten Geluk'in het economisch katern van deze krant.

Door geluk als één van de basiswaarden van de verzorgingsstaat aan te merken en tegelijkertijd te constateren dat het geluk de laatste decennia in de rijke Westerse landen niet meer is toegenomen, ondanks een verbetering van de sociale en economische omstandigheden, wordt een argument gedistilleerd voor een sociaal ministelsel. Geluk werd gemeten het te reduceren tot leefbaarheid, gelijkheid van levenskansen en levensvoldoening. Hadden we zonder gelegenheidstheorietjes al niet veel eerder kunnen inzien dat de verzorgingsstaat minder mensvriendelijk was geworden dan de ethische argumenten pro suggereerden?

Allereerst doemt het gevaar op dat we met evenveel recht een tegenwoordig minder populaire conclusie kunnen trekken, namelijk dat economische groei overbodig is omdat daardoor het geluk toch niet toeneemt. Om niet te hoeven vervallen tot dergelijke Marcusiaanse gedachten is een minder oppervlakkige benadering van het verschijnsel geluk nodig.

Door geluk te koppelen aan de aanwezigheid van enkele wenselijke sociale omstandigheden wordt geluk beperkt tot tevredenheid met het niet voorkomen van schrijnende omstandigheden. Maar afwezigheid van ongeluk is niet hetzelfde als geluk. In de psychologie wordt geluk vooral geassocieerd met een gevoel van eigenwaarde, met het gebruiken van aanleg en bekwaamheden, met het verwerven van inzicht in de werkelijkheid of met esthetische ervaringen. Goede sociale omstandigheden die voorkomen dat iemand zich zorgen hoeft te maken over voedsel, over onderdak of over de gevolgen van een slechte gezondheid, scheppen gunstige voorwaarden om aan geluk toe te komen. Maar ze geven geen garantie dat geluk komt aanwaaien.

Deze gedachte vinden we duidelijk terug bij de behoeftenhiërarchie van Maslow. Hij maakt onderscheid tussen lagere behoeften en hogere behoeften. De lagere, die grotendeels samenvallen met de behoefte aan goede sociale omstandigheden, moeten eerst worden bevredigd, voordat er voldoende kans is op bevrediging van de hogere behoeften. Die omvatten vooral de behoeften met de bevrediging waarvan geluk wordt gerelateerd. Een andere voorwaarde die Maslow stelt voor de bevrediging van de hogere behoeften is dat iemand in staat is zijn frustraties te overwinnen. Zo niet, dan ontstaat evenmin de "vrije-keussituatie' die de weg naar geluk opent. Ook deze theorie leidt dus tot de conclusie dat er in het belang van het geluk in ieder geval een ministelsel moet bestaan.

Een andere conclusie is dat het in het artikel van Van Zweeden geregistreerde uitblijven van de groei van geluk, ondanks het stijgen van de welvaart, erop wijst dat de overstap naar bevrediging van hogere behoeften niet wordt gemaakt. Wil dit nu zeggen dat verdere welvaartsgroei zinloos is? Waarschijnlijk zal een verhoging van een uitkering niet eenvoudig leiden tot meer geluk. Daarvoor is geluk te zeer verbonden met bevrediging van behoeften die niet in de materiële sfeer liggen. Het is eerder andersom. Wie de weg naar het geluk kent, zal een verhoging van zijn uitkering ook wel voor zijn geluk weten te benutten. Maar het is niet waarschijnlijk dat deze gelukkigen ruim vertegenwoordigd zijn onder de uitkeringtrekkers.

Zij hebben al eerder ontdekt dat geluk niet voortkomt uit het passieve bestaan waartoe de uitkering uitnodigt. Helaas echter had, naar de psychologie aantoont, Spinoza gelijk toen hij beweerde dat mensen vaak gemak boven geluk verkiezen.

Het uit de economie afkomstige leerstuk van de reference drift wijst in die richting. Mensen blijven met argusogen naar de welvaart van de buurman kijken en willen telkens meer als hij er ook op vooruit gaat. Zij gaan niet zozeer af op hun eigen behoeften maar imiteren de behoeften van de buurman. Behalve dat zij zo voor zichzelf een blijvend frustratierisico scheppen en hun kans op geluk verkleinen, zit aan deze mentaliteit voor de samenleving als geheel ook nog het risico van inflatoire impulsen vast.

Of economische groei, welvaart en werk aan het geluk bijdragen, lijkt dus vooral afhankelijk van de motivatie die ten grondslag ligt aan het economisch handelen van de individuele burger. Blijft deze motivatie vooral gebaseerd op prikkels van buiten, zoals op vergelijking met anderen, status en dergelijke, dan zal extra geluk uitblijven, hoe druk wij ons ook maken. Voor geluk is van belang of werk en welvaart (mede) in dienst staan van strikt persoonlijke, innerlijke behoeften. Wie zijn auto vooral gebruikt als middel om zijn welstand te etaleren is meer van zichzelf vervreemd dan degeen die hem beschouwt als middel om een aantrekkelijke reis mee te maken. Overigens hebben we geen enquêtes over geluk nodig om inzicht in deze materie te krijgen. Waarom slimme vragen bedenken in de hoop de neiging van mensen om (onlust)gevoelens te verdringen en om aangeleerde waarden en attitudes als eigen gevoelens op te voeren, te kunnen neutraliseren? Zegt het niet genoeg over het geluk, als het aantal mensen dat om psychische redenen in de WAO terecht komt of dat gebruik maakt van psychiatrische hulp, toeneemt?

Misschien is het reëler uit te gaan van de ervaringsregel (en van de theorie van het effectief leidinggeven) dat geluk niet gediend is met het individu verantwoordelijkheden te ontnemen die hij redelijkerwijs zelf kan dragen. Maar in een democratie komen wij bij dit soort overwegingen telkens voor het dilemma te staan of de overheid datgene moet doorvoeren dat goed is voor de burger, dan wel meer moet luisteren naar de wensen van de burger, die soms niet goed voor hem zijn, (zoals het steeds meer willen hebben, zonder dat er een relatie bestaat met een eigen toegenomen bijdrage aan de samenleving).

Om dit dilemma te verkleinen is het misschien beter de taak van de overheid beperkt te houden en de burger meer zijn eigen wensen te laten vervullen met de gelden die hij dank zij lagere lasten in zijn zak heeft gehouden. In concreto zou dit onder meer betekenen het invoeren van (meer) eigen risico's bij sociale verzekeringen en het nieuwe stelsel gezondheidszorg, het sparen (voor bijvoorbeeld een eigen huis) aantrekkelijker maken en een overheid die zich meer beperkt tot het scheppen van gunstige ontplooiingsvoorwaarden voor iedereen, dat wil zeggen die meer voorrang geeft aan taken van algemeen belang.

Daarmee wordt in ieder geval voorkomen dat iedereen betaalt voor voorzieningen die vrijwel niemand verder helpen op de weg naar geluk. Het ziet ernaar uit dat door het geluk mede als doelstelling van de verzorgingsstaat te beschouwen, een andere doelstelling, namelijk de rechtvaardigheid een minder materiële inhoud zal moeten krijgen.