Exposities van Pieter Holsteins "lullige' prenten in ICA en galerie Espace; "Ik heb lelijkheid nodig. Dat is een grote zwakte'

Rond tekenaar/etser Pieter Holstein is het lang stil geweest. Nu zijn in Amsterdam gelijktijdig twee tentoonstellingen van zijn werk te zien. Galerie Espace toont recente tekeningen, het Institute of Contemporary Art (ICA) geeft hem als 'sleutelfiguur' een ereplaats in een groepstentoonstelling. Een interview.

Tentoonstelling: Signalen 1 'Free Enterprise'. ICA/Amsterdam, Nieuwe Spiegelstraat 16, Amsterdam. T/m 16 feb. Di. t/m zo. 11-17 u. Do. 11-21 u. Galerie Espace, Keizersgracht 548, Amsterdam. T/m 26 feb. Di. t/m za. 12-17.30 u.

De groepstentoonstelling in het ICA is genoemd naar de titel van één van Holsteins tekeningen: Free Enterprise. Een groot schilderij en zo'n vijftig prenten, die hij in de periode 1966-1976 maakte, zijn in de deze expositie samengebracht met werk van onder anderen René Daniëls, Guillaume Bijl en Joost van den Toorn.

Wat deze kunstenaars volgens samensteller Bert Jansen bindt is dat ze het leven van alledag enkel en alleen lijken te verbeelden om chaos te scheppen. Holstein (1934) beschouwt hij als een voorloper, die vele jongere collega's heeft beïnvloed met zijn typische 'Holstein-stijl', cartoon-achtige prenten in een quasi naïeve tekentrant.

In zijn tekeningen, die een ontwrichtende kijk op het burgermansleven geven, verwerkt Holstein de meest uiteenlopende elementen, zoals padvindersbenodigdheden, de vaderlandse driekleur, kruiwagens, maar vooral veel stoelen, krukken en fauteuils die soms in een bijna menselijke hiërarchie bij elkaar zijn geplaatst. Die tekeningen dragen titels als De diktatuur van stoelen en Blijft een stoel die omvalt een stoel?

Wat uiterlijk en gedrag betreft heeft Pieter Holstein niets weg van de Dick Bos-achtige figuur die in zijn tekeningen hier en daar als zelfportret opduikt. Hij is heel wat minder zelfverzekerd en gladgeschoren dan zijn alter ego.

In een pannekoekenhuis, ergens tussen het ICA en galerie Espace in, vertelt hij dat het hem aan ideeën nooit ontbreekt. “Ik krijg er wel dertig per dag”. Vragend naar wat hem de afgelopen uren zoal te binnen is geschoten, moet hij het antwoord even schuldig blijven. “Ik heb me er vandaag niet toe gezet. Maar die alpinopet daar samen met die tas aan de kapstok zou wat kunnen wezen. Die hoeft alleen maar getekend te worden. Dat is voldoende. Verder hoeft er niets bij. Ja, een misleidende titel natuurlijk, want anders zouden de mensen denken dat het om een alpinopet en een das gaat. Zo'n titel bedenk ik meestal tijdens het tekenen. Als de tekening klaar is, is de titel er ook.” Uit het raam kijkend: “Ik zie hier nog wel meer goede onderwerpen. Dat scheve Amsterdammertje bijvoorbeeld of dat bungelende elastiekje om dat fietsstuur...”

Holstein, die afwisselend in Amsterdam en New York woonde, werkt de laatste jaren voornamelijk in Frankrijk waar hij veel tijd 'verspilde' aan de bouw van een huis en atelier. “Ik schilder daar landschappen, al gaat het werken naar de natuur me moeilijk af. Heb ik wel een tijd goed gekund, maar plotseling niet meer. Ik zit vaak te turen en moet dan bekennen dat ik niet weet wat ik zie.”

“Ik geloof dat mijn manier van werken een psychologische reactie is op de wereld om mij heen, net geen regressie, maar wel een reactie. In die zin is ze niet zuiver en nog steeds niet volwassen. Daarom moet ik ook doorgaan. Misschien dat ik mezelf dan uiteindelijk nog eens au sérieux kan nemen.”

U lijkt de rol van kunstenaar maar moeilijk te kunnen accepteren.

“Dat niet au sérieux nemen is mij echt op het lijf geschreven. Ik wilde mezelf daarom ook nooit als 'kunstschilder' opgeven voor de beroepengids. Ik bedacht altijd allerlei ontsnappingsformules, maar sinds een paar jaar vind ik dat ik die rol toch maar eens moet accepteren. Tenslotte heb ik die ooit aangenomen en daar kan ik nu nog maar weinig aan veranderen.”

Het lijkt alsof u in uw tekeningen niet zonder de knulligheid van dingen kunt, alsof u er afhankelijk van bent.

“Ja, de lelijkheid heb ik nodig. Nog nooit heeft iemand dat als kritiek aangevoerd, maar ik vind het zelf wel een ernstige zwakte. Het vervelende is dat de kunstenaars die zich wel aan schoonheid wagen bijna allemaal demagogen zijn, al zijn er uitzonderingen. Brancusi bijvoorbeeld was geen demagoog en dat reflecteert in zijn beeldhouwwerken. Die beelden vind ik uitzonderlijk zuiver.”

“Als ik de ingebeitelde rij kunstenaarsnamen in de gevel van het Rijksmuseum bekijk, verbaast het me dat bijna vrijwel geen enkele nu nog bekend is. Die namen doen er eigenlijk ook niet zoveel toe. Ik vind het volkomen oninteressant om te discussiëren over de vraag of mensen als Baselitz en Dibbets nu groter of kleiner zijn dan Rembrandt. Veel belangrijker is het dat die kunstenaars een machtspositie hebben die ze zouden kunnen gebruiken om het medium kunst te delen met het publiek, maar over het algemeen gebeurt dat niet. Veel kunstenaars maken er toch een beetje een one man show van. Soms doen ze dat uitzonderlijk goed en je ziet dat het publiek daar heel gevoelig voor is.

Kennelijk bestaat er een grote behoefte aan helden. Geloof je daar zelf niet in, dan zit je op een andere golflengte. Het is natuurlijk heel dubbel om je tegen dat heldendom af te zetten terwijl je tegelijkertijd in een galerie exposeert en je werkjes signeert. Ik heb de luxe gehad - ik gaf les aan de Rijksacademie - dat kunst en geld ver uit elkaar lagen. Daarom heb ik nooit achter tentoonstellingen aan hoeven hollen. Nu probeer ik met steeds minder geld rond te komen.

Merkwaardig genoeg gaan discussies over kunst maar zelden over het proces van het maken, over de aarzelingen en de zekerheden daarin. Misschien komt dat door de plaats die kunst nu inneemt. Het is een machtsspel geworden en onzekerheid is geen sterke machtshouding. Er is ook iets vreemds aan die grote belangstelling voor tentoonstellingen van Van Gogh of Rembrandt. Die is zo consumptief. Het publiek doet er niets mee. Wat je ziet kun je niet vertalen naar je eigen leven. Het is meer een gedachtenspel, als een wolk in je hoofd. Het enthousiasme dat jonge kinderen soms hebben om iets te tekenen of iets te maken, daar staan die grote tentoonstellingen ver vanaf. In de jaren vijftig, zestig vond men het een aardig idee als iedereen aan de kunst zou raken, maar dan op een actieve manier. Dat idee is verloren gegaan en heeft ook niet echt een kans gekregen. Voor de kunsthandel is het natuurlijk ook een desastreus idee, dat iedereen kunst zou kunnen maken.''

Behalve ruim vijftig prenten van klein formaat hangt bij het ICA ook een enorm groot doek van u.

“Ik heb dat destijds gemaakt vanuit de behoefte om ook eens iets groots te verrichten. Om ook een held te worden.”

Zoiets is natuurlijk bij voorbaat gedoemd om te mislukken.

“Dat kan je wel zeggen, maar toen ik aan dat schilderij werkte had ik dat niet in de gaten. Op zichzelf vind ik het ook niet kwalijk om een groot doek te maken en eenmaal aan de gang ontdekte ik zelfs dat ik het heel leuk vond om te doen. Maar er zit een belangrijk praktisch bezwaar aan: Je kunt wel in hoog tempo een partij grote doeken produceren, maar wat moet je daar dan verder mee? Je atelier staat op die manier snel vol. Het is dan natuurlijk de kunst om die doeken af te zetten. Maar daar ben ik dus geen genie in.”

Hoe kijkt u ertegen aan dat uw werk nu in actueel verband wordt gebracht?

“Dat is heel stimulerend, maar het verbaast me wel een beetje, want nu ik die tekeningen van vroeger weer eens onder ogen heb gekregen, vind ik de meeste er wel en beetje lullig uitzien. Eigenlijk kan ik niet geloven dat mensen er na twintig jaar nog iets in zien. Je hebt dat altijd gehoopt, maar het is vreemd als het dan ook gebeurt.