De dans van de Niet-Lachende

Het souterrain heeft bijna evenveel namen als wijnvaten. "Koutouki' wordt het genoemd, maar dat is een verzamelnaam voor zulke pretentieloze eethuisjes waar het voornamelijk om de wijn gaat. "Sauna' heet het ook, om voor mij nog onnaspeurbare redenen. De officiële naam is Nikos, naar de eigenaar. Maar de meesten noemen het Ajèlastos, de Niet-Lachende, ook weer naar de eigenaar, want deze lacht nooit.

Het is een ongeacheveerde, vormeloze man, ogenschijnlijk zonder veel belangstelling voor wat er om hem heen gebeurt, die echter een voortreffelijke zaak drijft. Zuinig is hij ook, daarover doen vele markante verhalen de ronde. Dat we de laatste tijd een pas geïmmigreerde Albanees, Robertino, als jongste bediende hebben, is ongetwijfeld vooral toe te schrijven aan het feit dat deze onder de prijs wil werken en zonder dat voor hem de zegeltjes van de sociale verzekering hoeven te worden betaald.

Robertino spreekt nog maar weinig Grieks, maar dat leert hij hier wel. Hij brengt de karaffen wijn ("halve kilo's') met gratie en plezier en weet nu al dat "kartúcio' een kwart kilo betekent, voor de matige drinkers of op de valreep voor het weggaan.

Aan de wand van de koutouki hangen twee gitaren, en een avond waarop niemand van de aanwezigen daarnaar heeft gegrepen geldt als niet uit de verf gekomen. Vroeger speelde de oude Nikólas er zowat iedere avond op, maar sinds de dood van mijnheer Mimis, de burgemeester van de belendende voorstad Výronas (Byron), die er altijd bij zong, heeft hij daar niet veel aardigheid meer in. “Wij tweeën hebben deze zaak groot gemaakt.”

Eigenlijk is Nikolas nu bezig, de hele avond niet te spelen. Van alle kanten wordt hem gevraagd, weer eens naar de gitaar te grijpen, de stoutmoedigen reiken hem het instrument zelfs aan of laten een half kilo op zijn tafel komen, maar van zulke initiatieven wordt hij maar nijdig, ze werken averechts. Eens zag ik hem zitten met twee volle karafjes voor hem, toen keek hij echt zeer bewolkt. Hij drinkt ook helemaal niet zo veel.

Deze avond echter is een uitzondering. Er is een koor van de beste zangers uit de buurt - meest winkelhouders - dat gewoonlijk in een andere taveerne bijeenkomt, maar die gaat de laatste tijd wel erg vroeg dicht. Hun zingen staat op hoog peil, en Nikolas heeft zich laten overreden. Hij begeleidt.

Het zijn allen mannen op leeftijd, maar aan de andere kant van de zaak is een tafel met jongeren, van gemengd geslacht, die ook een koor blijken te vormen. Ze hebben een eigen gitarist bij zich. Gelukkig bijten de twee groepen elkaar niet, integendeel, er is wederzijds redelijke aandacht. Zowat om de beurt zingen ze een aantal liederen. Het opmerkelijke is dat de ouderen veel nummers van de laatste tijd kennen en de jongeren juist vooroorlogse, merendeels rebètika, het herleefde genre levenslied van de zelfkant, waar eigenlijk een bouzouki bijhoort. Maar de gitarist bespeelt zijn instrument bouzouki-achtig.

Vanavond is iedereen geweldig op dreef. Alles staat in het teken van de wisseling der koren en generaties, geen wanklank wordt gehoord in de verschillende uithoeken van de onregelmatig ingedeelde ruimte waar anders nogal eens ruzie wordt gemaakt om futiliteiten, ruzies die later "misverstanden' worden genoemd.

Jórgos, de grootste muziekminnaar van ons allen, die altijd een transistorradiootje bij zich heeft voor situaties waarin niemand musiceert, begeleidt de koren virtuoos met een lepel. De omvangrijke en indrukwekkende mevrouw Victoria wordt enthousiast en roept: “Jórgos, je bent de meest formidabele lepel die ik ooit heb gehoord”.

Omstreeks middernacht vraagt Jórgos de gitarist van de jongere tafel of hij een lied over de onbeantwoorde liefde ten beste wil geven dat hijzelf, Jórgos, lang geleden heeft gecomponeerd en dat ook één keer op de radio is gebracht. Hij zingt het even voor en binnen enkele seconden heeft de gitarist de begeleiding te pakken. Het tweede couplet klinkt als vanzelfsprekend en er komen ook voor- en naspelen bij. Als het uit is gaat Jórgos naar zijn eenzame plaats terug, uit zijn ogen een tranenvloed.

Op gewone avonden gaat Alexándra, de blozende en vriendelijke vrouw van Nikos, om één uur naar huis, en daarna wordt naar sluiting van de zaak gestreefd met behulp van kwart kilo's. Maar van deze avond wordt elk kwartier duidelijker hoe bijzonder zij is. Het koor der oudere mannen komt toe aan één der grootste gezangen van de nu populairste zanger Stratos Dionysiou: “Al bladerend in mijn levensboek kwam ik bij jouw bladzij, en ik wist de kleur van je ogen niet meer, ook niet de klank van je stem (...) En al proberend me iets te herinneren, ben ik in slaap gevallen”.

Het is altijd wonderlijk hoe doorleefd en verrukt de Grieken - ook de jongeren - deze laatste vijf woorden, die in hun taal één lang woord vormen, kunnen uitbrengen. Er heerst nu algehele euforie, zelfs Alexandra denkt niet aan weggaan hoewel het al over enen is, en Robertino brengt de nieuwe halve-kilokaraffen hoog boven zijn hoofd, zou dat Albanese folklore zijn?

De jongeren vinden het tijd voor een zeimbèkiko, een éénmansdans op een statig negentelsritme. Ze kiezen het fraaie lied van de rebètis Chatzichristou: “Schooier noemde je me op een avond, zonder enige reden, maar die schooier neemt het je niet kwalijk”. En het wonder gebeurt.

Plotseling verrijst Nikos, hij doet enkele stappen - hij danst, zijn lichaam krijgt zelfs een zekere elegantie, en ja, op zijn gezicht verschijnt een lach. Iemand gooit naast hem een bord in gruzelementen, als eerbetoon, iets dat onder gewone omstandigheden in zeer slechte aarde zou zijn gevallen bij de eigenaar.

“Dit is protákousto, ongehoord”, zeg ik opgewonden tegen de oude man die naast mij zit, een stamgast. “Nou nee”, antwoordt deze, “het komt elk jaar wel een keer voor.”