Cello-piano duo vindt in Rachmaninov ideale balans; Noten met speciale inhoud

Concert: Kam serie. Godfried Hoogeveen, cello en Frédéric Meinders, piano. Programma: Grieg: Sonate voor cello en piano in a, opus 36, Stravinsky: Suite Italienne, Schubert: Introductie, thema en variaties in bes opus 82 nr. 2, Rachmaninov: Sonate voor cello en piano in g opus 19. Gehoord 20/1, Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam.

“Je zingt te veel. De meeste strijkers zingen te veel. Waarom spreken jullie niet meer op jullie instrumenten?”, klaagde de legendarische Russische zanger Chaliapin, toen hij de cellist Gregor Piatigorsky voor het eerst hoorde spelen. Later zou Piatigorsky bij gelegenheid verklaren dat hij van niemand zoveel had geleerd als van Chaliapin: “Het is van groot belang ons te blijven realiseren dat we veel meer moeten doen dan alleen maar "mooie' melodieën op de cello spelen, om te voorkomen dat we een heleboel zinloos geluid produceren”.

Godfried Hoogeveen, sinds vorig jaar solocellist van het Koninklijk Concertgebouworkest, heeft die les van zijn voormalige leraar serieus ter harte genomen. Want Hoogeveen imponeert als cellist niet alleen door zijn rijk geschakeerde, sensuele en zangerige toonvorming, hij weet ook aan bijna iedere noot die hij speelt een speciale inhoud te verlenen.

Dat zijn gepassioneerde vertolking van de Cellosonate in a van Grieg desondanks niet werkelijk overtuigend klonk, was vooral te wijten aan de onevenwichtige balans tussen de cello en de piano.

Hoezeer een cellist ook zijn best doet om kernachtig te spelen, in de lagere regionen dreigt het timbre van zijn instrument per definitie door de moderne vleugel opgeslokt te worden. De ideale begeleider zou daar eigenlijk rekening mee moeten houden door de fortes in zijn partij af en toe met een korreltje zout te nemen.

Pianist Frédéric Meinders koos echter voor een partituurgetrouwe weergave van de muziek, zodat Hoogeveen tijdens de stormachtige passages in Griegs Cellosonate wel haast gedwongen werd zichzelf te forceren.

Maar tijdens de uitvoering van de luchtig opgebouwde Suite Italienne van Stravinsky, raakte dit probleem vanzelf op de achtergrond. Hier speelde Meinders de spaarzame noten van zijn partij met onnadrukkelijke elegantie, zodat Hoogeveen de kans kreeg het totale kleurenpalet van zijn instrument te etaleren. Met opmerkelijke instrumentale lichtvoetigheid en vurige muzikale intensiteit bewoog hij zich door de quasi-achttiende-eeuwse wereld van Stravinsky's Suite Italienne, waarbij hij vooral het larghetto met een adembenemend broze en tedere toon wist te verklanken.

Briljant klonk daarna de transcriptie van Schuberts Introductie, thema en variaties in bes, een zelden uitgevoerd pianowerk voor vier handen dat door Gregor Piatigorsky voor cello en piano werd bewerkt. Maar pas tijdens de optimaal zangerige en door en door expressief vertolkte Sonate voor cello en piano in g van Serge Rachmaninov vormden Hoogeveen en Meinders een duo in de ware zin des woords. Niet alleen was de balans tussen beide spelers hier vrijwel ideaal, ook deden Hoogeveen en Meinders in dit werk niet voor elkaar onder in verbeeldingskracht en instrumentale finesse.