Britse leiders trekken elkaars kleren aan

Het mag nog hartje winter zijn en formeel gezien politiek dood tij, maar in het paleis van Westminster zit onrust in de lucht en schuiven zeshondervijftig Lagerhuisleden ongedurig in het nest.

Nog heeft John Major, sinds vijftien maanden leider van de Britse Conservatieven en daarmee eerste minister van het land, niet hardop aangekondigd wanneer hij de kiezers om verlengd mandaat zal vragen, maar het moment is nabij. Morgen komt de eerste aanwijzing: minister Norman Lamont zal dan bekend maken in welke week van maart hij met zijn (verkiezings-)begroting in het Lagerhuis voor de dag komt. Hoe vroeger in maart, hoe groter de kans op verkiezingen begin april. Hoe later in maart, hoe meer kans op uitstel tot begin mei.

Major heeft voor zijn keuze van een datum alleen praktisch-electorale overwegingen in aanmerking te nemen: vlak na een begroting waarin Lamont tenminste een schijntje van welbehagen in de kiezer heeft weten te wekken? Of vlak vóór het moment dat de nieuwe poll tax-aanslag, die nog niet versleten gesel uit de erfenis van ex-Margaret Thatcher, in grotere omvang dan voorheen bij de kiezers in de bus valt? De vaak voorspelde, maar nooit gekomen opleving van de economie uit een diepe, hardnekkige recessie, lijkt dit eerste half jaar van 1992 niet te komen, dus daarop wachten heeft geen zin meer.

Wanneer de verkiezingen ook komen - en vóór half juli van dit jaar moeten ze gehouden zijn - de Britten worden erop voorbereid met de langste verkiezingscampagne die ze in bijna twintig jaar hebben beleefd. De verkiezingen van april/mei/juni 1992 worden ook, als de opiniepeilingen gelijk hebben, de nauwst bevochten verkiezingen sinds in 1974 Labour de regeringsmacht aan de Tories ontfutselde. Na twaalf jaar onophoudelijk Conservatief bewind, bijna elf jaar onder het straffe regime van Margaret Thatcher, maakt Labour voor het eerst weer kans die stunt te herhalen. De partijen liggen, na een aanvankelijke ruime voorsprong van Labour gedurende meer dan een jaar, in de strijd om de gunst van de kiezer werkelijk nek aan nek. De Tories hebben het startsignaal van hun leider dan ook niet afgewacht en zijn meteen in de eerste week van januari met een grootscheepse campagne ten nadele van Labour begonnen.

Tegenover het geoefende filmwerk van cineast-regisseur David Putnam, die Labour met een propaganda-film status (Kinnock in double breasted kostuum) en glamour (Kinnock met mevrouw Kinnock) probeert te verlenen, hebben de Conservatieven het bureau Saatchi en Saatchi in stelling gebracht. Die twee wonderkinderen van het advertentiewezen, zelf exponenten van een boom die inmiddels als een zeepbel uiteengespat is, hebben bijgedragen aan de derde Conservatieve overwinning, die van 1987. Ze hebben dus ervaring in het trefzeker aanpakken van Labours kwetsbare plekken. Defensie, dé grote stemmenverliezer voor Kinnock bij vorige verkiezingen, is inmiddels als beurse plek naar de achtergrond gedrongen, zowel omdat Labour onder Kinnock eenzijdige ontwapening heeft afgezworen als ook omdat de Sovjet-Unie gedesintegreerd is. Dus haken de Saatchi's in op een ander sentiment bij de kiezers: het gevoel van onbehagen, uit een inmiddels ver verleden, over een Labour-regering met de hand aan 's lands huishoudportemonnee.

De suggestie dat de economie bij Labour niet in goede handen zou zijn, komt als een gotspe uit de mond van een partij, die zelf het hare heeft bijgedragen aan een recessie die maar niet wil eindigen. Zowel Major als de vèrgaand impopulaire Norman Lamont hebben inmiddels moeten toegeven dat ze de omvang daarvan hebben onderschat. Onder degenen die de partij in de Thatcher-jaren een ongekende derde overwinning hebben bezorgd, is een slachting aangericht: in 1991 alleen al 80.000 gezinnen die uit hun koophuis zijn gezet omdat ze de vertweevoudigdde hypotheekrentes niet meer konden betalen; 48.000 kleine en grotere bedrijven die in dat jaar failliet gingen, meer dan 2,5 miljoen werklozen die hun leger nu al 21 maanden zien groeien, allen slachtoffer van een recessie die dit keer het hardst heeft toegeslagen in het gebied waar de Tories traditioneel het sterkst zijn: het zuiden en zuid-oosten van Engeland. Aan hen wordt door de Conservatieven per affiche voorgehouden : “Onder Labour gaat u 1000 pond belasting méér betalen”.

Labour heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het afwentelen van het drukkend imago van een partij die éérst verkiezingsbeloften doet en pas later gaat bedenken hoe ze die moet betalen. Labours schaduwminister van financiën, de Schotse advocaat John Smith, heeft de City ervan proberen te overtuigen dat het hem ernst is met een verantwoord beheer van 's lands financieën. Labour committeert zich aan maar twee gegarandeerde uitgaven, verhoging van de staatspensioenen en verhoging van de kinderbijslag. De kosten daarvan worden betaald uit verhoging van de inkomstenbelasting voor hogere inkomens en uit verhoging van sociale premies voor boven-gemiddelde inkomens. Andere prioriteiten op het Labourlijstje - betere gezondheidszorg, betere scholen, betere training van werknemers, beter openbaar vervoer - moeten worden betaald uit de opbrengst van toekomstige economische groei. Net als Paddy Ashdowns SLD stelt Kinnocks Labour de kiezer voor een principiële keuze: die van verdere verlaging van inkomstenbelasting, zoals de Tories propageren, of die van investering in de toekomst van Groot-Brittannië door gerichte uitgaven voor scholing en onderwijs, voor vervoer, en voor gezondheidszorg. Mocht Norman Lamont deze maand nog twee miljard pond in zijn verkiezingsbegroting vinden om 1 procent verlaging van de inkomstenbelasting aan te kondigen, dan zal Labour die verlaging ongedaan maken. De SLD zegt bereid te zijn de belasting met nog eens 1 procent te verhogen, als dat de enige manier mocht zijn om te betalen voor een reservoir van goed opgeleide werkkrachten in de toekomst.

Het geruzie over de hoogte van de belastingen is zo heftig, omdat politici geloven dat kiezers uiteindelijk met hun portemonnee zullen stemmen. Alleen omdat de kiezers van oudsher de Conservatieven meer dan Labour vertrouwen met het onderwerp economie, zouden de Tories daarom met de hakken over de sloot kunnen winnen, zij het lang niet met een meerderheid van 101.

Hoe wordt de waarschijnlijke uitslag? In een klimaat waarin de partijen zo nek-aan-nek door de peilingen racen, is de kleinste gebeurtenis voldoende om in de marginale zetels in het noord-oosten, in de Midlands en in Londen, de doorslag naar de ene of de andere zijde te geven. Conservatieve bewindslieden stralen nog steeds de zekerheid uit dat ze, natúúrlijk, opnieuw de verkiezingen gaan winnen. Dat brengt politieke commentatoren ertoe op te merken dat het, alleen al voor de democratie, goed zou zijn als de Tories na twaalf jaar eens even “a short, sharp shock” zouden krijgen toegediend om wakker te worden uit hun zelfgenoegzaamheid. Dat die schok zal bestaan uit het verliezen van een absolute meerderheid (minimaal 326 zetels) in het Lagerhuis, lijkt op dit moment waarschijnlijk. De mogelijkheid van een hung parliament, een volksvertegenwoordiging waarin géén van de partijen op eigen kracht kan regeren, doemt dan op. Labour zou, om als grootste partij uit de verkiezingen tevoorschijn te kunnen komen, een verschuiving van stemmenvoorkeur in haar richting nodig hebben van bijna 8 procent. Een dergelijk fenomeen is sinds het eind van de oorlog niet meer vertoond, maar het getransformeerde Labour hoopt desondanks op een wonder.

Paddy Ashdowns SLD krijgt in de peilingen steevast 12 tot 14 procent van de stemmen, bijna zeker een onderwaardering van de werkelijkheid bij de verkiezingen. Na de traumatische fusie van SDP en Liberalen in deze ene partij heeft Ashdown nooit geloofd dat hij nu, in 1992, al zou kunnen vasthouden aan de 22 zetels, die liberalen en democraten in 1987 verwierven. Maar hij houdt vol dat het zijn partij is, en niet Labour, naar wie de ontevreden kiezers zullen uitwijken in hun onvrede over het Conservatief bewind. In het gevecht over belastingdruk van de afgelopen weken nam Ashdown wijselijk de pose van de staatsman aan, hoofdschuddend over het feit dat de opponenten van Labour en Conservatieven elkaar met modder besmeurden, terwijl de kiezer “smeekt om een lange termijn visie op de toekomst van ons land”. De mantel die Ashdown hier omlegde werd steeds minder belachelijk, gezien het besef dat het heel goed aan deze leider kan toevallen om straks het lot van zijn partij te verbinden aan hetzij Conservatief hetzij Labour. De prijs die hij daarvoor bedingt is de belofte tot hervorming van het kiesstelsel naar evenredige vertegenwoordiging ter vervanging van het huidige eerste-over-de-streep, dat de democraten en liberalen zo lang buiten de deur van Downing Street heeft gehouden. Met Labour maakt hij een kans, maar de Conservatieven peinzen er voorlopig niet over een systeem in de steek te laten dat hun sinds de oorlog 24 jaar lang absolute alleenheerschappij heeft gegarandeerd.

Wat de Britse kiezer dus krijgt voorgeschoteld is, regionale partijen als de Welsh en Scottish Nationalists en de vertegenwoordigers uit Noord-Ierland daargelaten, de keus uit twee traditionele en één jonge partij, die in feite allemaal op elkaar lijken. Zoals Labour onder Neil Kinnock is opgeschoven van links naar het midden, zo zijn de Conservatieven onder John Major van rechts opgeschoven naar het midden. Dat maakt de speelruimte voor de SLD wel erg benauwd. Labour is niet langer afkerig van de werking van de markt, zij het met de blik gericht op de zwakkeren in de samenleving. De Tories onder Major hebben de ruwe kanten van Thatchers “there is no such thing as society” afgeslepen, met maatregelen voor de daklozen, begrip voor homoseksuelen en vrouwen met een carrière en capitulatie voor de massa die de poll tax "oneerlijk' vond en daarom in verzet kwam. Zoals Neil Kinnock zich heeft ontwikkeld van "bojo' en "windbuil' tot een man in een streepjespak en een leider-in-spe, zo heeft John Major zich ontdaan van de koninklijke uitstraling van zijn voorgangster en zich als "meneer Grijs' uitgesproken voor het ideaal van de klasseloze maatschappij.

Het zou dus zo kunnen zijn dat de persoonlijkheden van de leiders straks de doorslag gaan geven bij de keuze van een nieuw parlement. Kinnock, met een geringe persoonlijke populariteit, weet dat alle leden van zijn schaduwkabinet, op Douglas Hurds schaduw Gerald Kaufman na, door de kiezers meer gewaardeerd worden dan de leden van Majors kabinet. Major weet dat zijn persoonlijke populariteit groter is dan in de waardering voor zijn partij tot uiting komt, zij het niet langer zo groot als vlak na de Golfoorlog. En het kan niet anders of hij moet zich afvragen of hij, achteraf bezien, toch beter niet had kunnen wachten op een economische opleving die was beloofd maar niet kwam. En of hij niet veel beter meteen, in het voorjaar van 1991, zijn kans had moeten grijpen en in de euforie over het afwentelen van een vreselijke oorlog verkiezingen had moeten uitschrijven.

Neil Kinnock John Major