Voortbestaan Vereniging Kleine Kernen aan zijden draad

MEPPEL, 20 JAN. “We waren juist zo goed op dreef, de vaart zat erin en nu moeten we daar wellicht een punt achter zetten. Helaas, helaas.” H. Clewits uit Meppel lucht zijn hart over de dreigende opheffing van de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen, waarvan hij vice-voorzitter is. Het voortbestaan van de organisatie, die tot doel heeft het woon- en leefklimaat in Nederlandse dorpen te verbeteren, hangt aan een zijden draad nu minister d'Ancona van WVC de jaarlijkse subsidie van ruim 150.000 gulden heeft ingetrokken.

Pieterzijl, Visvliet, Kloosterburen, Hidaard en Wapserveen - ze behoren met vele andere gehuchten en buurtschappen tot wat in het planologisch jargon als "kleine kernen' omschreven staat: dorpen die vaak een tobberig bestaan leiden doordat de gangbare voorzieningen ontbreken. Ook de laatste kruidenier hield het voor gezien; de basisschool ging dicht, omdat ze de leerlingennorm niet haalde en het loket van het postagentschap viel definitief in het slot. "Kwijnende kernen' heten ze ook wel, omdat het draagvlak voor een gezonde samenleving tekortschiet, de vergrijzing toeslaat en de werkgelegenheid, zeker in het boerenbedrijf, voortdurend terugloopt.

Het was pastoor B.A.G. Boerstal uit het Betuwse Haalderen die - om de neerwaartse spiraal ten plattelande te stoppen - in 1975 de vereniging oprichtte en als eerste voorzitter optrad. Sindsdien meldden zich ongeveer 1.200 leden: individuele personen, maar vooral dorpsgemeenschappen en gemeenten, die samen per jaar circa 35.000 gulden aan contributie opbrengen. Dat is bij lange na niet genoeg om de huidige werkzaamheden voort te zetten. De vaste medewerker op het bureautje in Arnhem, drs. H.J. van Paassen, is al vertrokken, terwijl een part-timer de lopende administratieve zaken behandelt.

Volgens de normen van de LVKK is elke plaats met minder dan 4.000 zielen een kleine kern. Daarvan telt Nederland er ongeveer 3.000, die voor het merendeel in de vier noordelijke provincies liggen. Daar bestaan trouwens ook provinciale verenigingen, die zich op het welzijn van de plattelander richten. De LVKK dient, in de woorden van Clewits, als platform voor kwesties van nationale betekenis en is actief in die gebieden waar van regionale belangenbehartiging geen sprake is, bijvoorbeeld in rivierenland.

Het besluit van minister d'Ancona om de subsidie in te trekken viel in het kader van de bezuinigingsronde bij de Tussenbalans, toen 200 instellingen samen 33 miljoen moesten inleveren. Clewits (72), gepensioneerd chef vervoer van de Drentse autobusdienst, kan daar een zeker begrip voor opbrengen en zou met een korting van pakweg 25 procent vrede hebben gehad. “We moeten ten slotte allemaal in de armoede delen, maar honderd procent vermindering gaat ons natuurlijk te ver.” Een schriftelijk verweer van hem en zijn medebestuurders haalde echter niets uit, net zomin als een procedure voor de Raad van State.

De vereniging had haar hoop nog gevestigd op diverse Tweede-Kamerfracties, die volgens Clewits onomwonden steun hadden toegezegd, maar bij de behandeling van de departementale begroting, 17 december vorig jaar, is geen amendement van die strekking ingediend. Dat is de vice-voorzitter in het verkeerde keelgat geschoten: “We begrijpen niet waarom de politiek ons laat vallen, terwijl PvdA, CDA en ook kleinere partijen als de SGP altijd onze pleitbezorgers zijn geweest.”

Toch is nadere hulp van parlementaire zijde niet uitgesloten, zoals blijkt uit toezeggingen van het PvdA-Kamerlid L.P. Middel. “De minister”, legt hij uit, “heeft gelijk dat ze het bureau van de LVKK niet langer subsidieert, dat past in de nieuwe subsidielijn, maar de activiteiten van de vereniging verdienen wel degelijk financiële ondersteuning, eventueel via het departement van VROM. Voorop staat dat we de vereniging niet de nek om willen draaien. Dat is ons standpunt, maar ook van de VVD, er staat in elk geval een Kamermeerderheid achter. Het wachten is nu op het antwoord van d'Ancona. Komt dat niet, dan gaan we actie ondernemen. Tussen nu en twee weken moet er duidelijkheid komen.”

Een ander standpunt huldigt A.H. Esselink van het CDA: “Wij hebben van meet af aan gezegd: dit soort belangenbehartiging moet je niet op landelijk niveau, maar van onderop subsidiëren en dan doel ik op de aangesloten dorpen en gemeenten. Die moeten, als ze dat tenminste willen, het voortbestaan van de vereniging verzekeren. Dan krijgen ze bovendien toegang tot de begrotingspost plattelandsontwikkeling van hetzelfde WVC.”

Zolang de politieke controverse niet is uitgevochten, verkeert de LVKK in grote onzekerheid, om niet te zeggen verwarring. Binnenkort komt het algemeen bestuur bijeen ter voorbereiding van een ledenvergadering, die over de toekomst van de LVKK moet beslissen. Clewits, sinds 1984 in de voorste gelederen, zou opheffing ernstig betreuren na het langdurig ijveren voor de "leefbaarheid' van het platteland. Wat hebben ze in die jaren bereikt?

Clewits: “Er waren mislukkingen, maar ook successen, op allerlei gebied. Neem alleen al het openbaar vervoer, een trieste geschiedenis op het platteland. Daarin hebben we duidelijk onze stem laten horen en ertoe bijgedragen dat busdiensten werden gehandhaafd of zelfs verbeterd. Mede door onze acties kon menigmaal een dreigende schoolsluiting worden voorkomen en waar een postagentschap op het punt stond te sneuvelen, sprongen we steevast op de bres.”

Mocht de LVKK door het ministeriële ingrijpen geen levensvatbaarheid meer hebben of vleugellam raken, dan is er voor hemzelf in elk geval één troost. Clewits is ook nog voorzitter van de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe en die wordt als provinciale organisatie niet in haar voortbestaan bedreigd.