Over integratie allochtonen wordt in direktiekamers beslist; Managers beslissen over succes migranten

De - geschrokken - politiek zoekt naar oplossingen voor de enorme werkloosheid onder allochtonen, maar het zijn de managers van Nederland die de echte beslissingen nemen. Zonder hun inzet staan migranten voor gesloten deuren.

De nervositeit in de politiek is begrijpelijk. Men heeft het gevoel een tijdbom te beheren, die op een electoraal ongelukkig moment zal afgaan. Terwijl het aantal arbeidsplaatsen flink is toegenomen en de werkloosheid onder Nederlanders is gedaald, is die onder allochtonen juist fors gestegen.

Inmiddels is 37 procent van hen werkloos en zijn de kansen van de aankomende generatie niet beter. De Amsterdamse hoofdcommissaris van politie Nordholt waarschuwt voor de ontsporende Marokkaanse jongens en in de grote steden nemen de spanningen tussen bewoners van arme buurten toe. Ondanks de Nederlandse traditie van verdraagzaamheid kunnen uitbarstingen van sociale spanningen zoals in sommige buurlanden ook in Nederland niet meer geheel worden uitgesloten.

Het merkwaardige is dat er over de hoofdlijnen van de aanpak wel politieke overeenstemming bestaat: meer en betere scholing, betere arbeidsbemiddeling en een positievere houding van werkgevers. De met enige pathos ingezette nationale discussie over de minderheden lijkt vooral bedoeld voor de respectieve achterbannen. De VVD mikt op assimilatie, het CDA op verzuiling (die vooral via de onderwijsbegroting wordt gerealiseerd), terwijl de PvdA de enige bij-de-tijdse oplossing van integratie zo bescheiden naar voren brengt dat niemand het merkt.

Inmiddels wordt er druk vernieuwd. Het ministerie van onderwijs stelt het tot nu toe effectarme achterstandenbeleid bij. Het ministerie van wvc heeft enig succes met "Op Stap'- en Nieuwkomersprojecten. En Sociale Zaken grossiert in arbeidsmarktregelingen. Als het al helpt, blijkt het een druppel op een gloeiende plaat. Dat komt omdat het bedrijfsleven er niets in ziet. NRC Handelsblad van 15 januari meldde dat slechts drie procent van de Nederlandse bedrijven zich daadwerkelijk inzet om de in de Stichting van de Arbeid afgesproken zestigduizend arbeidsplaatsen voor allochtonen te scheppen.

Voorzitter Kamminga van het midden- en kleinbedrijf, goed voor vijftig procent van de werkgelegenheid in de marktsector, kan zijn achterban zo trefzeker citeren. Het zijn niet zijn eigen woorden, maar hij heeft toch veel begrip voor al die diskwalificerende opmerkingen van zijn leden over allochtonen.

Zij spreken de taal niet, hebben heel andere gewoonten en het geeft maar spanningen met het Nederlandse personeel. En ook de klanten zijn niet gediend van die migranten, die of te verlegen of te brutaal zijn. De schuld ligt dus bij de allochtonen zelf en bij het onderwijs dat er blijkbaar ook niets van weet te bakken.

De bestuurders van de andere werkgeversorganisaties drukken zich iets diplomatieker uit, maar de strekking is hetzelfde. In de overheidssector zien we meer verbale welwillendheid, maar niet meer resultaten. Allochtonen, ze komen er gewoon niet in of ze vliegen er als eerste weer uit. Dit is, zeker op termijn, niet in het belang van de bedrijven zelf. Sommige delen van de arbeidsmarkt vertonen grote krapte. Het negeren van het allochtone arbeidspotentieel veroorzaakt niet alleen sociale, maar ook economische schade. De nieuwe instroom op de arbeidsmarkt in Amsterdam in het jaar 2000 zal voor vijftig procent bestaan uit allochtone jongeren. Nederland kan ze helemaal niet missen.

Waar wringt de schoen? Opleidingstekorten zijn er zeker. Toch blijkt uit onderzoek dat waarschijnlijk tweederde van de allochtone werkloosheid toegeschreven moet worden aan andere factoren zoals "indirecte discriminatie'. Openlijke racistische discriminatie komt in Nederland weinig voor. Het gaat veeleer om het onvermogen van het management in het hanteren van cultuurverschillen in een bedrijf. Die cultuurverschillen leiden tot ongemakken als misverstanden, spanningen en miskenning van aanwezige kwaliteiten. Vervolgens kunnen zij leiden tot vorming of bevestiging van vooroordelen en etnocentrisme.

Allochtone werknemers worden daarom vaak gezien als minder bekwaam, betrouwbaar, ijverig, stipt en hygiënisch dan autochtone. Bij nadere beschouwing blijken deze oordelen bijna altijd te berusten op verkeerde interpretaties. Het zijn misverstanden die wel een negatieve spiraal in werking kunnen zetten. Het management van hoog tot laag zou zich hierop moeten beraden en zijn professionele competentie op dit gebied moeten verbeteren.

Dat is overigens niet alleen van belang voor het integreren van etnische minderheden in de Nederlandse arbeidsorganisaties, maar ook voor het kunnen omgaan met cultuurverschillen in een bedrijf in het algemeen. Het is de verdienste van de socioloog Geert Hofstede ("Allemaal Andersdenkenden', Amsterdam 1991) een aantal cultuurdimensies te hebben onderzocht die de stroeve samenwerking, die zich al voordoet tussen Nederlanders en Vlamingen in één bedrijf, kunnen verklaren. Dergelijke analyses bieden de mogelijkheid van de nood een deugd te maken: het behalen van voordeel uit de verscheidenheid.

In een tijd van snel toenemende internationalisering is het beheersen van interculturele managementtechnieken een overlevingsnoodzaak. Managers moeten ervoor worden opgeleid en erop worden geselecteerd.

De managers van Nederland hebben dus de sleutel in handen van de succesvolle integratie van allochtonen in onze samenleving.

Toch kan de overheid die zelf een grote werkgever is en het voorbeeld kan geven, iets doen. De overheid geeft veel opdrachten en subsidies. Daaraan kunnen evenals in de Verenigde Staten, Canada en Engeland voorwaarden worden verbonden op het gebied van positieve actie voor allochtonen. De Wet Bevordering Arbeidskansen, die een inspannings- en rapportageverplichting regelt, kan worden ingevoerd, juist in het belang van goedwillende ondernemers.

Maar het allerbelangrijkste is dat de managers van Nederland het gewoon niet langer op zich laten zitten. Het is toch een aanfluiting als het internationaal georiënteerde Nederland niet in staat zou zijn voordeel te behalen uit de integratie van culturen in plaats van erin verstrikt te raken.