Nieuw bewind wil politiek toneel Algerije ingrijpend wijzigen; "Voor het eerst pikt het volk een militaire staatsgreep niet'

ALGIERS, 20 JAN. Precies een week na het gedwongen vertrek van president Chadli Benjedid is het in Algerije tot de eerste gewapende schermutselingen gekomen. In de nacht van zaterdag op zondag overvielen "onbekenden' bij Sidi Moussa (op 20 kilometer ten zuiden van Algiers) één van de talloze militaire controleposten met zelfgemaakte bommen en een machinepistool. Een soldaat vond de dood, twee gendarmes werden gewond. De aanvallers ontsnapten in de nabije bossen.

Twee uur tevoren was een zelfgemaakte bom gegooid naar het hoofdkwartier van de gendarmerie in Algiers (even boven de wijk Bab el-Oued) - precies op het moment dat de hele generale staf van de gendarmerie daar in vergadering bijeen was. Deze bom veroorzaakte geen doden of gewonden.

De nieuwe machthebbers hebben niet gezegd wie achter de twee aanslagen zaten. Zij weten dat zij vele vijanden hebben. In de eerste plaats bij het FIS (het Front van Islamitische Redding), maar ook bij de vroegere regeringspartij, het FLN. Beide partijen hebben hun langste tijd gehad. Over hun verdwijnen laten de autoriteiten geen twijfel bestaan. Evenmin over hun voornemen om desnoods “met ijzeren hand” (aldus het pro-regeringsblad Al Watan) te regeren. En als Aït Ahmed, de leider van het zich sociaal-democratisch noemende FFS, lastig blijft doen, loopt ook zijn partij gevaar.

De Hoge Staatsraad (het vijfkoppige presidentschap onder leiding van Mohamed Boudiaf) en premier Ghozali hebben namelijk afgesproken dat er in Algerije geen plaats meer is voor politieke groeperingen die op basis van religieuze, taalkundige of regionale belangen opereren. Aït Ahmed is de politiek belangrijkste leider van Kabylië, waar de Berbers wonen en hun eigen taal spreken. Hij houdt publiekelijk vol dat hij alleen op nationaal gebied wil opereren en alleen in de nationale politiek geïnteresseerd is.

In werkelijkheid heeft Aït Ahmed uitsluitend invloed in Kabylië en bij de niet-gearabiseerde Berbers die naar andere plaatsen zijn geëmigreerd. De Berbers worden ervan verdacht dat zij zich van de nationale staat waarin zij leven, willen afsplitsen. Hun hartstochtelijke ontkenning wordt door de meeste niet-Berbers domweg niet geloofd. Daarom werden de taal-eisen van de Berbers sinds de onafhankelijkheid op bloedige wijze onderdrukt - in naam van de nationale eenheid en de identiteit van Algerije, die sinds 1962 officieel als Arabisch en islamitisch wordt gedefinieerd.

Allen die het puur-Arabische karakter van Algerije onderstrepen, verdenken Aït Ahmed ervan dat hij in het geheim streeft naar een autonoom of zelfs onafhankelijk Kabylië. Als hij zijn oppositie tegen het nieuwe regime volhoudt, kan zijn partij - aldus goed geïnformeerde kringen - “wel eens in ernstige problemen komen en hijzelf op het vliegtuig naar Lausanne worden gezet om daar opnieuw de democraat uit te hangen”.

Het nieuwe bewind heeft zich voorgenomen om in snel tempo het politieke toneel van Algerije een totaal ander aanzicht te geven. De Hoge Staatsraad heeft bekendgemaakt dat zijn acties zijn gericht op: Het bewaren van de nationale eenheid; het bevorderen van de islam als een wezenlijk kenmerk van de Algerijnse persoonlijkheid; de verwezenlijking van een authentieke democratie.

De invulling van deze doelstellingen gebeurt - aldus Aboubakr Belkaïd, de minister van communicatie en één van de Sterke Mannen in de regering - door niet alleen de wet op de politieke partijen te amenderen, maar die wet ook veel strenger toe te passen.

Hij kondigde aan dat zowel de politieke partijen die in leven worden gelaten als eventuele nieuwe politieke groeperingen “de werkelijke stromingen van de publieke opinie” dienen weer te geven. Zij moeten “beter gestructureerd” zijn en “een grote sereniteit” hebben (het woord “sereen” is de laatste jaren in het democratiseringsproces van Algerije een mode-begrip geworden). Zij moeten ook “meer respect hebben” voor de wetten en de regels van de burgermaatschappij. Bovendien moeten nieuwe partijen, die niet langer door slechts 15 mensen kunnen worden opgericht, tijdens een proefperiode bewijzen dat zij in overeenstemming handelen met hun partijprogramma en hun statuten, en dat zij “het democratische proces respecteren”.

Uiteraard wordt hun goede gedrag uitsluitend door de overheid beoordeeld. De politieke partijen “wier grondwettigheid reeds een probleem vormde” (het FIS bij voorbeeld, dat uitsluitend om politiek-opportunistische redenen door ex-president Chadli werd toegelaten) zullen zichzelf moeten ontbinden of door de autoriteiten worden ontbonden.

Als eerste maatregel om de politieke samenleving drastisch te veranderen, worden over een paar dagen de gemeenteraden ontbonden. Zij vielen bij de gemeenteraadsverkiezingen in juni 1990 voor een heel groot deel in handen van het FIS. Waarschijnlijk zal hun “slecht bestuur” worden aangewreven. De gemeenteraden zijn van groot belang omdat van daaruit oppositionele acties tegen de nieuwe machthebbers kunnen worden georganiseerd.

Dat bleek gisteren weer eens, toen het FIS in het centrum van Algiers een bijeenkomst belegde. In het stadhuis, dat geheel door zwaar gewapende gendarmerie omsingeld was, sprak onder anderen Abdelkader Hachani, de "voorlopige' voorzitter van het FIS. Aanwezig waren de 188 partijleden die bij de eerste ronde van de parlementsverkiezingen op 26 december werden gekozen. Doel van de bijeenkomst was “na te denken over de manier waarop men het land uit de crisis kan halen”.

Hachani waarschuwde dat in Algerije thans “de voorwaarden aanwezig zijn voor een dictatuur zoals de mensheid die nog nooit gekend heeft”. De situatie was als die van een man die een op scherp gestelde handgranaat in de hand heeft. “De junta wil bloed en dood in Algerije. Zij doet alles om de granaat te laten ontploffen. Wij doen alles opdat dit niet gebeurt.”

De aanwezigen vroegen alle parlementariërs in de wereld om steun, opdat Algerije zou terugkeren naar de legaliteit van de grondwet en voortzetting van het afgebroken verkiezingsproces. Zij riepen de voorzitter van de Raad van de Grondwet, Benhabylès, op bekend te maken wie president Chadli tot aftreden had gedwongen. Zij verzochten Mohamed Boudiaf - niet in zijn functie van voorzitter van de Hoge Staatsraad, doch als “strijder voor de onafhankelijkheid” - “geen façade te zijn voor deze machts-junta”. Zij waarschuwden tegen “de ernstige gevolgen als gevolg van de excessen, provocaties en opzetjes, die erop gericht zijn een explosieve situatie te creëren”. En zij riepen het volk op “zich tegen de machtskliek te verzetten”.

De bijeenkomst liet zien met welke politieke strategie het FIS de huidige machthebbers hoopt te verslaan. Hachani noemde niet voor niets de gekozen FIS-parlementariërs “de hoop van de natie” en “de enige legitieme autoriteit”. Als hij erin slaagt op zijn minst 216 van de reeds gekozen 231 parlementsleden permanent in een gebouw te laten vergaderen, dan heeft hij een quorum bijeen van het parlement (dat in totaal 430 leden telt). Dan kan hij stellen dat dit romp-parlement - in tegenstelling tot de Hoge Staatsraad en de regering - de enige legitieme instelling van het land is. Die instelling moet dan door het volk tegen de machtsusurpators worden verdedigd.

De bedoeling is het verzet van Boris Jeltsin tegen de staatsgreep in Moskou van augustus te kopiëren. Daarover is vorige week overleg gevoerd tussen het FIS en de twee andere politieke partijen die zetels in het parlement hebben veroverd: het FLN en het FFS. Leidende figuren in het FLN en het FFS, zich bewust van het feit dat de nieuwe machthebbers hen politiek willen uitschakelen, zouden bereid zijn met de duivel - het FIS - samen te werken om “de junta” beentje te lichten. Een naaste medewerker van Aït Ahmed zei donderdagavond stralend: “Voor de eerste maal pikt het Algerijnse volk een militaire staatsgreep niet. Wij gaan onze eigen Gorbatsjov maken.”

Toen die mogelijke samenwerking woensdag bekend werd, brak zowel binnen het FLN als binnen het FFS een storm van verontwaardiging los. De leiding van het FLN en het FFS betoogde om het hardst dat er alleen maar “contacten” met het FIS waren gelegd om de binnenlandse vrede te bewaren en dat er verder niets was afgesproken. Maar dat hielp niet. Twaalf van de 25 oprichters van het FFS lieten gisteren weten dat zij uit de partij stappen, uit protest tegen de pro-FIS-opstelling van Aït Ahmed.

Zaterdag was Aït Ahmed in alle staten. Hij ontkende elke samenwerking met het FIS en hij kwam met een politieke strategie, die als twee druppels water leek op hetgeen de huidige regering tegen het FIS van plan is - met dien verstande dat in Aït Ahmeds plan de regering-Ghozali een illegale machthebber is. Gisteravond verscheen hij op de Franse televisie om duidelijk te maken dat hij voortdurend “zwart wordt gemaakt”.

Binnen het FLN gebeurde precies hetzelfde als in het FFS. Ook daar waren de reacties, zowel binnen het dagelijks bestuur als bij het voetvolk, zo woedend over de contacten die secretaris-generaal Abdelhamid Mehri met het FIS had gelegd, dat hij gedwongen werd de dialoog met het FIS voorlopig op te schorten. Het Centrale Comité van het FLN komt zaterdag bijeen om over de contacten met het FIS te praten.

Vele oud-strijders, officieren van het vroegere Algerijnse Bevrijdingsleger en voormalige functionarissen van het FLN (ongetwijfeld daartoe opgeroepen door de huidige regeerders, die eveneens uit het FLN voortkomen) eisen dat het FLN zich uit het actieve politieke leven terugtrekt en geschiedenis wordt. Het FLN, zo zeggen zij, “moet aan het gehele Algerijnse volk toebehoren, zodat de partij niet door één specifieke groep gebruikt kan worden”.

Als het FLN naar het museum gaat en het FIS naar de gevangenis, blijft het FFS niets anders over dan zich te keurig te gedragen. Maar het lijkt uitgesloten dat de leiders van het FIS zich goedschiks bij die gang van zaken zullen neerleggen. Hachani liet gisteren in het stadhuis van Algiers reeds weten: “Als deze junta te ver gaat, zullen wij het volk onmogelijk in bedwang kunnen houden.” En iedereen in Algerije weet dat het FIS niet alleen God vertegenwoordigt, maar ook het Algerijnse volk.

"Opgaan in een andere universiteit willen we ook niet. Wij zijn niet te koppelen aan één universiteit. We werken nauw samen met vijf universiteiten in Nederland. Dat loopt prima. Ons pakket is zo gevarieerd dat we wel met meer universiteiten moeten samenwerken. Voor landbouw met Wageningen, voor mijnbouw met Delft enz. Als we met één universiteit zouden samengaan zouden de andere minder in ons genteresseerd zijn.'