Krakersblad groeit uit tot onafhankelijke stadskrant; "Er was geen beweging of ze kwam wel aan het woord'

In een kale en koude oude benedenwoning in de Nijmeegse binnenstad houden zich zo'n 18 vrijwilligers bezig met het vervaardigen van de Nijmeegse Stadskrant. Zij verkopen zelf de advertentieruimte, bedenken, schrijven en redigeren de verhalen en verspreiden de krant vervolgens ook zelf in de stad in een maandelijkse oplage van 10.000 gratis exemplaren. Met 2000 gulden per nummer is de begroting sluitend.

"Nederlands laatste stadskrant'. Zo afficheren de redacteuren hun maandblad in een schrijven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan. “In ieder geval als onafhankelijk journalistiek produkt”, verduidelijkt René Ravestein, een van de redacteuren van het blad. “Er bestaan nog wel meer alternatieve bladen in Nederland, maar die fungeren toch duidelijk als spreekbuis voor een beweging. Een krakerskrant zijn wij allang niet meer.”

Op een steenworp afstand van de bescheiden redactielokalen van de Stadskrant verrijzen de luxueuze nieuwe kantoren en drukkerijen van De Gelderlander, het dagblad dat in Nijmegen en omstreken een monopoliepositie heeft en mede daardoor tien jaar geleden de aanleiding voor de oprichting van de stadskrant was. Nijmegen stond nog op z'n kop door de Pierson-affaire: de strijd om de bouw van een parkeergarage midden in de stad, waarvoor een aantal woningen moest wijken. Met harde hand maakte "het gezag' een einde aan de protesten, tanks rolden door de straten en over de barricaden. “De Gelderlander bagatelliseerde het protest”, zegt Ed Coumans, een andere redacteur van de Stadskrant. “De krant liep aan de hand van de gezagsdragers”, vult Ravestein aan. “Onder actievoerders bestond onvrede over de berichtgeving over de Pierson-kwestie.” Het idee voor een eigen krant was geboren.

Naar goed links gebruik nam een "collectief' de taak op zich het blad vol te schrijven. Doelgroep was "alles wat links is en kan lezen'. Het redactiecollectief verdeelde zich in "sectorgroepen'. Wonen, vrouwen, anti-militarisme, politie, justitie - dat waren de onderwerpen waarover de Stadskrant schreef. “Er was geen beweging of ze kwam wel aan het woord”, zegt Ravestein met enige gêne.

De stad bleek als onderwerp te beperkt voor de krant. Naast Nijmegens toenmalige burgemeester Hermsen, die door zijn tegenstanders consequent met "zwijntje' werd aangeduid, en de "vooringenomen' berichtgeving van De Gelderlander mochten de Bondsrepubliek Duitsland, China, Israel, Libanon en de Haagse politiek op belangstelling van de anonieme maar kritische pen van "het collectief' rekenen. Schrijvers, typisten en bezorgers beslisten samen wat er geschreven en gepubliceerd werd. De krant werd betaald door abonnees en donaties.

In 1984 werd, ook weer conform de tijdgeest, besloten dat enig "toezicht' op het journalistieke produkt toch wel op zijn plaats was. Een eindredactie en een coördinator deden hun intrede. In de redactionele formule werd meer ruimte voor cultuur ingeruimd. Hoor en wederhoor begonnen de basis voor artikelen te worden.

De Stadskrant is nu een goeduitziende, op tabloid-formaat uitgegeven krant, die er journalistiek gezien en de omstandigheden in acht genomen best zijn mag. "Nijmeegse kwesties' hebben in de kolommen de voorkeur, maar ook het Mozartjaar mocht op ruime redactionele aandacht rekenen en voor een rondje Midden-Oosten schaamt men zich nog steeds niet.

Tot op dit moment kent de krant geen hoofdredacteur. De redacteuren dragen nog steeds gezamenlijke verantwoordelijkheid. Zij zijn allang niet meer dezelfden als "het collectief' dat de krant tien jaar geleden begon. Ed Coumans werkt er nu twee jaar en is daarmee de nestor van het gezelschap. In de loop der jaren hebben een kleine 200 mensen meegewerkt aan het blad. Op de redactieburelen zijn vooral werkloze academici en HBO'ers aan te treffen, waarvan er in Nijmegen veel rondlopen. “Telkens als iemand ervaring krijgt en echt goed wordt, is hij snel vertrokken”, is de klacht. De Stadskrant fungeert voor de medewerkers vaak als springplank naar een betaalde (journalistieke) baan. Ook Coumans en Ravestein, afgestudeerde historici, zouden de krant meteen verlaten als ze ergens aan de slag konden. De gewetensvraag ligt voor de hand: ook als dat bij de eens verfoeide Gelderlander zou kunnen? Het antwoord is nog sneller gegeven en conform de tijdgeest: “Jazeker.”

Jeroen is geschokt over de manier waarop Sophia zijn vaderschap heeft afgeschilderd. Hij heeft geleden onder het gemis van zijn zoons en de machteloosheid. “Rechters en hulpverleners begrepen me, en nooit heeft iemand mijn alcolholverslaving tegen me gebruikt. Maar ook zij waren machteloos.” De omgangsregeling zit nu goed. Het scheidsrechterschap van Hans van Schooten is goud waard. “We kunnen hem bellen tot hij bejaard is.” Wat hij mist zijn spontane telefoontjes met zijn kinderen, een keer spontaan langs gaan bij een athletiekwedstrijd van Boris of het zwemmen van Roy.