Het Gat

Twee jaar geleden kwam ik in een Amsterdams restaurant naast Artemi Trojtski terecht. Hij is een van de weinige Russische journalisten die zich bezighouden met jeugdcultuur en popmuziek, zijn standaardwerk over de Russische popscene, Back in the USSR, werd over de hele wereld vertaald.

Wij werden bediend door een smart waiter, zo geprogrammeerd dat hij elk binnenkomend signaal feilloos wist te ontwijken. Op een bepaald moment probeerde iemand het maar eens met een luid "ober!' “Ik heet Erik hoor!”, snauwde hij verontwaardigd. “Goh, ik dacht dat dat typisch Russisch was”, zei Artjom. Net toen ik hem naar de Russische codes op dit gebied wilde vragen moest hij weg, zijn vliegtuig halen.

“Je moet eens naar Moskou komen”, zei hij nog.

Vorige week was het zover. Sinds augustus is Trojtski als hoofd van de afdeling muziek van de Russische televisie een drukbezet man, maar aangezien hij met die gewichtige functie maar 400 roebel = 4 dollar = 8 gulden per maand verdient, was hij wel tot een gratis maal in een dollar-restaurant te verleiden. We vatten de draad op van ons gesprek in Amsterdam.

Sinds de revolutie van 1917 is het gebruik van de term ober, "ofitsiant', in Rusland taboe, en de restaurantbezoeker die "kameraad' iets te ver vindt gaan hanteert een alternatief waarin het omzeilen van de gehate functieterm gecombineerd wordt met tactisch een betoon van bescheidenheid: "prostite pozjaloejsta', neem me niet kwalijk alstublieft, of nog voorzichtiger: "mozjon vas na minoetkoe', heeft u een momentje voor me? In pre-revolutionair Rusland werd ook het Franse garçon gebruikt, en onder intellectuelen begint die term de laatste tijd weer terug te komen. “Maar pas op, je moet wel weten in welk gezelschap je dat kunt doen”, zei Artjom.

Het grootste gat dat door het einde van het staatscommunisme in de omgangstaal werd geslagen is het taboe op de term "kameraad', tovarisjtsj. Behalve de ironische variant hoor je dat alleen nog onder de slinkende minderheid van oudere partijgetrouwen. In de rij voor Lenins Mausoleum op het Rode Plein, of om de hoek, bij de picket tegen de voorgenomen sluiting van het Lenin-museum. Het probleem, legde Artjom uit, is dat het Russisch geen waardevrije, beleefde aanspreekvorm kent die als alternatief voor kameraad kan dienen. "Burger' en "burgeres' (grazjdanin, grazjdanka) worden nog wel gebruikt, maar vooral bij gebrek aan beter, want ook dat zijn termen van na 1917. Als Jeltsin een menigte aanspreekt gebruikt hij "burgers', of "sograzjdane', landgenoten, of "droezja', vrienden.

Nieuw is Jeltsins vondst om de republikeins-Russische nationaliteit van zijn onderdanen te onderstrepen: "rossijane', letterlijk "Ruslanders'.

Westerlingen worden vaak aangesproken met "gospodin' en "gospozja'. In feite betekent het gewoon "meneer' en "mevrouw', maar helaas is het ook de term waarmee pachters en arbeiders in het oude Rusland hun meesters aanspraken, zodat het een te beladen term is om als opvolger voor "kameraad' in aanmerking te komen. Intellectuelen gebruiken het nog wel, maar alleen ironisch. “Zonder aanhalingstekens zou ik het m'n strot niet uitkrijgen”, zei Artjon.

In tegenstelling tot onder mannen is "kameraad' voor vrouwen altijd meer beperkt gebleven tot politieke situaties; een Russisch winkelmeisje zal een vrouw niet gauw "tovarisjtsj' noemen. In de minder ontwikkelde milieus ontstond daardoor het provisorische "zjensjtsjina', vrouw, maar in de oren van beter gesitueerde Russen klinkt dat grof. Een mannen-variant volgens hetzelfde recept ligt dus niet erg in de lijn der verwachtingen.

De meeste Russen omzeilen het probleem, net als met de obers. Een Rus die iemand de weg wil vragen begint bijvoorbeeld met: "sjazjit pozjaloejsta', zeg mij eens, alstublieft, of: "vy ne skazjete...', kunt u mij misschien zeggen...'

“Het is lastig”, zei Artjom, “Soms weet ik echt niet wat ik moet zeggen. Net alsof je iemands naam vergeten bent. Misschien zou iemand eens nieuwe, neutrale begrippen moeten verzinnen, maar ik vrees dat de meeste Russen op dit moment wel iets anders aan hun hoofd hebben.”