Geheimtaal

In NRC Handelsblad van 10 januari steekt Max Pam in "Geheimtaal' de draak met publikaties van enkele kunsthistorici in het tijdschrift Kunst & Museumjournaal. Hij citeert uit hun verband gerukte passages en suggereert dat deze onbegrijpelijk zijn. Hij geeft een lijst van geciteerde auteurs ten bewijze van de belachelijke pretenties van de Amerikaanse criticus Thomas McEvilley.

Wie weet in welk zinnig verband deze citaten staan? De door Pam van McEvilley, Lisette Pelsers en Marlite Halbertsma aangehaalde teksten zijn bij enig nadenken best te begrijpen, wanneer men zich tenminste ooit heeft ingespannen iets van de gevoelens en gedachten die kunst kan oproepen onder woorden te brengen. Ieder die dat ooit serieus ondernomen heeft, weet, dat daarbij ons denken in zijn wanhoop de raarste sprongen neemt en alles uit de ons ter beschikking staande voorraad begrippen en denkbeelden aansleept om het onzegbare te benaderen. "Anything that can be said in prose, can be said better in prose', schreef al T.S. Elliot. Het blijft een moeizaam pogen, dat echter niet zinloos is, evenmin als literatuur en filosofie. We willen ons nu eenmaal rekenschap geven van onze ervaringen, daar zijn we mensen voor. Dat kan wel eens moeilijk worden en niet voor iedereen toegankelijk. Men moet er een zekere concentratie voor opbrengen, net als voor muziek, poëzie en de producten van de beeldende kunst zelf. Mijn leermeester in de mathematische logica, Evert Beth, schreef wiskundige begaafdheid toe aan een zeker specifiek concentratievermogen dat niet iedereen kan opbrengen. Zo is het ook met kunst en filosofie. Waarom zou het dan met kunstkritiek en kunstbeschouwing anders zijn? Wie zou het in zijn hoofd halen citaten uit het Nieuw Archief voor de Wiskunde als geheimtaal aan de kaak te stellen?

Kees van Dongen wilde geen woorden vuil maken aan zijn eigen werk. Dat hoefde hij ook niet, hij had het gemaakt. Maar hij liet het wel in een museum ophangen, in de hoop dat er een publiek zou bestaan dat er voldoende aandacht voor zou weten op te brengen om het te waarderen. Als iemand uit dat publiek dan probeert die waardering onder woorden te brengen, is dat uiteraard niet voor de kunstenaar zelf bestemd, maar voor anderen uit het publiek, die misschien iets herkennen en zich zodoende duidelijker van hun gevoelens bewust worden.