Energieheffing wekt valse hoop; Kunstmatige verlaging van de arbeidskosten leidt niet tot verbetering economische structuur

De discussie over energieheffingen staat opnieuw in het centrum van de belangstelling. Tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van de ANWB pleitte minister Kok van financiën om ter verlichting van de milieuproblematiek zo snel mogelijk milieuheffingen te introduceren en de opbrengst te gebruiken voor verlaging van de arbeidskosten ter versterking van de werkgelegenheid.

De energie-intensieve industrie, ondersteund door haar eigen branche-organisaties en het VNO/NCW, heeft zich krachtig verzet tegen de voorgestelde forse tariefsverhogingen van de Wet Algemene Bepaling Milieuhygiëne (WABM) en de plannen van de regering om zonodig alleen in Nederland regulerende energieheffingen te introduceren. Volgens de industrie leiden de heffingen niet alleen tot een verslechtering van de Nederlandse concurrentiepositie, maar ook tot een verscherping van de milieuproblematiek.

Uit de discussies blijkt steeds duidelijker dat het vooral financiële motieven zijn die ten grondslag liggen aan het pleidooi voor milieuheffingen. De financieringsproblematiek van de overheid moet worden verlicht door milieulasten uit de algemene middelen over te hevelen naar de particuliere sector. Door minder belastinggeld aan het milieu te besteden kan de regering meer geld overhouden voor andere bestedingsdoeleinden. Kennelijk bestaat bij de bewindvoerders de hardnekkige gedachte dat de lasten via de exporterende industrie voor een deel aan de buitenlandse afnemers kunnen worden gepresenteerd. Het blijft moeilijk om de voorstanders van de heffingen ervan te doordringen dat doorberekening van deze kosten niet mogelijk is, maar uiteindelijk door de industrie zelf moeten worden opgebracht. Vooral de energie-intensieve industrie, die het hardst wordt getroffen, opereert op wereldmarkten waarbij de prijs bepaald wordt door de producent met de laagste kostprijzen. Het lijkt erop dat de Commissie-Wolfson deze gevaren onderkent.

Naar mijn stellige overtuiging zal de concurrentiepositie van Nederland niet worden gered indien de opbrengsten van de energieheffing gebruikt worden voor een verlaging van de arbeidskosten. Natuurlijk, de dienstverlening zal er in eerste instantie garen bij spinnen, maar deze sector is veel minder gevoelig voor de internationale concurrentie. Op termijn zal ook hier een terugslag optreden want welke diensten wil men aanbieden en aan wie, als de investeringen van een belangrijk deel van het Nederlandse industriële draagvlak stagneren of in het buitenland worden geplaatst. Uit een recent rapport van het onderzoeksbureau DRI/McGraw-Hill blijkt dat zelfs in geval de regulerende energieheffing in Europees verband wordt ingevoerd, de werkloosheid in Nederland 5,7% in plaats van 5,1% in 2005 zal bedragen.

Kunstmatige verlaging van een van de factorkosten, zoals arbeid en kapitaal, leidt op lange termijn niet tot een verbetering van onze economische structuur, integendeel! In NRC Handelsblad van 24 oktober betoogde prof. Van Praag dat het aanwenden van de opbrengst voor een kunstmatige verlaging van de arbeidskosten of compensatie van de koopkrachtverliezen "te slim' is. Het is slechts symptoombestrijding. De reële arbeidskosten blijven onverminderd hoog en er dreigt een nieuw "leeg ei van Columbus' te worden omarmd. De feitelijke oorzaak van de hoge arbeidskosten ligt in de enorme overheidsuitgaven die voor een belangrijk deel terug te voeren zijn op de te hoge overdrachtsuitgaven. Nu een nieuwe financieringsbron is gevonden dreigt de noodzakelijke verlaging van de collectieve lasten weer te worden uitgesteld. De kritiek op Nederland in het jongste landenrapport van de OESO is van gelijke strekking. Het gevolg kan niet anders zijn dat de economische activiteit in Nederland verder achter blijft, de werkloosheid stijgt, de sociale lasten hoger worden en de koopkracht uiteindelijk verder onder druk komt. Met andere woorden de overheid snijdt hier diep in eigen vlees.

Ook het milieu krijgt de rekening gepresenteerd, immers de heffingen spelen vooral het investeringsbeleid van nieuwe industrielanden in de kaart, in het bijzonder op het gebied van energie-intensieve installaties. Het gevaar dreigt dat verschuivingen zullen optreden naar landen die geen heffing toepassen, vaak met veel minder zware milieuwetgeving, terwijl investeringen in nieuwe installaties in Noord-West Europa met betere energie- en milieuprestaties stagneren. De industrie dreigt daar niet mee, zoals sommigen doen voorkomen, maar voelt dit zelf als een bedreiging en is het slachtoffer van de onoverkoombare consequenties van dit beleid. Ook milieu-onderzoekers erkennen stees vaker dat dergelijke verplaatsingen niet bijdragen aan een vermindering van de mondiale CO2 uitstoot. Hoe tegenstrijdig het sommige mensen in de oren mag klinken; het milieu is gebaat bij een gezonde energie-intensieve industrie. Ik hoef alleen maar te wijzen naar het voormalig Oostblok waar met name het milieu een zware prijs heeft betaald om een verouderde industrie nog enigszins op de been te houden.

Als bedrijfsleven en overheid gezamenlijk achter de maatregelen en instrumenten staan is de kans op succes het grootst. De industrie heeft de zorgen van de overheid op milieugebied onderschreven. Ondanks de hoge kosten hiermee verbonden heeft de industrie zich bereid verklaard te trachten via doelgroepenoverleg en meerjarenafspraken de beoogde doelstellingen op een zo efficiënt mogelijke wijze te realiseren. Op dit moment liggen de blauwdrukken voor de milieu-intentieverklaring en het energiebesparingsconvenant voor de chemische industrie al klaar. Onder meer door de perikelen met de energieheffingen zijn die documenten nog niet ondertekend. In de afgelopen periode heeft het vertrouwen in de overheid een ernstige deuk opgelopen.

De industrie wijst de voorgestelde aanpassing van de WABM af. Eveneens zal zij zich krachtig verzetten tegen een eventuele verbreding van de grondslag naar andere objecten dan energie indien blijkt dat dit tot verdere belastingverhogingen leidt die uitsluitend in Nederland worden doorgevoerd en dus een negatieve invloed heeft op de concurrentiepositie. Indien de WABM milieubelasting, door financiële nood gedreven, onverhoopt toch wordt goedgekeurd dient de overheid het bedrijfsleven op z'n minst de garantie te geven dat een dergelijke heffing wordt ingeschoven in een eventuele regulerende heffing op EG-niveau. Dit om dubbel betalen te voorkomen. Bovendien dient de EG-heffing zodanig te worden uitgevoerd dat er bij het terugsluizen van de opbrengst geen sprake is van een concurrentievervalsing tussen de lidstaten.

Aangezien de energie-intensieve industrie op de wereldmarkten opereert verdient het aanbeveling om het voorstel van de Europese Commissie te volgen en deze sectoren uit te sluiten zolang de heffing niet is ingevoerd in andere industriële concentratiegebieden als Noord-Amerika en het Midden- en Verre Oosten.