Betrokkenheid op afstand, bekommernis met onrecht; Emile Fallaux, geëngageerde "Don Quichotte'; Hij vertrouwt er blindelings op altijd werk te vinden; Fallaux is cynisch over de Nederlandse journalistiek

Emile Fallaux is de nieuwe directeur van het Filmfestival Rotterdam, dat donderdag begint. De veelgeprezen documentairemaker verruilde zijn baan bij de VPRO-televisie voor de moeilijke opdracht om - als eerste Nederlandse directeur na Huub Bals - het Rotterdamse Festival nieuw leven in te blazen.

Emile Fallaux (6 augustus 1944) groeide op in een socialistisch nest te Leiden. De soberheid en het geldgebrek in het ouderlijk huis veroorzaakten bij hem al jong een behoefte aan praal en schittering. Het Nederlands toneel, zoals dat in die dagen veelvuldig op het televisiescherm te zien was, sprak hem zeer aan. De voorzitter van de socialistische woningbouwvereniging, waarvan de familie Fallaux een huis bewoonde, voerde tevens het voorzitterschap van de toneelvereniging van de geheelonthouders, Door Onthouding Sterk (DOS). Emile speelde bij DOS onveranderlijk de jeune premier in stukken van Heijermans en viel op door zijn Algemeen Beschaafde dictie.

Als 16-jarige schitterde Emile in het stuk “De Brand om de Jongejan” - grijs geschminkt en met een aardappel in de keel - als officier van justitie, die de arbeiders afblafte. De in de zaal aanwezige leden van de Vrouwenbond van de PvdA waren bepaald niet op de hand van de officier van justitie, maar de rol van klassevijand was Fallaux op het lijf geschreven.

De door sommige van zijn leeftijdsgenoten als "bekakt' beschouwde Emile had het voorrecht eerst naar de lagere school te mogen, om daarna de HBS te bezoeken. Omdat in zijn milieu een opleiding aan de Ambachtschool meer voor de hand lag, werd de scholing van Emile door een aantal van zijn vrienden als "klasseverraad' beschouwd.

Er waren twee beroepen die Fallaux tegen het einde van zijn schoolperiode wel wat leken: à la Henk van Ulsen getormenteerde zielen vertolken op het toneel, of als buitenlands correspondent in een linnen pak en met het glas in de hand en uitzicht over een zonovergoten savanne uit te rusten van een journalistieke expeditie. De keuze viel op het toneel.

Hij deed toelatingsexamen op de Toneelschool in Arnhem met een fragment uit “Blaffen tegen de maan”. Fallaux kroop uit de coulissen om geëxalteerd om water te roepen, daarmee een reiziger vertolkend die uitgeput uit de woestijn kwam. Achteraf hoorde hij dat de toelatingscommissie de vertoning dermate bespottelijk vond, dat men besloot hem maar een kans te geven.

Als snel kwam aan het licht dat Fallaux voor het toneelspel hoegenaamd geen talent bezat. Zijn werkelijke interesse bleek bovendien buiten de muren van de school te liggen. In het Arnhemse nachtleven ontmoette hij de schrijver en dichter Johnny van Doorn, die in die jaren als Johnny the Selfkicker furore maakte met zijn geïmproviseerde klankrijmen. Van Doorn bracht Fallaux in aanraking met hasj en andere geestverruimende middelen, waarmee toen in Nederland werd gepionierd. Van Doorn had in die dagen ook belangstelling voor het toneel; samen vertaalden ze “Ubu Roy” en Johnny kon een scène uit “Romeo en Julia”, waarvoor op zijn minst een half uur stond, in vijf minuten declameren.

Dank zij een deal tussen de Arnhemse toneelschool en die van Amsterdam kon Fallaux halverwege de jaren zestig na twee rampzalige Arnhemse jaren in de hoofdstad aan de regie-opleiding beginnen, waarvoor toen in Nederland slechts één plek per jaar beschikbaar was. Hij zat in de klas met Cox Habbema en Rutger Hauer. Guus Hermus en Henk van Ulsen, de toenmalige "Groten' van het toneel, doceerden er. Hij verzette zich tegen het "psychologisch-naturalisme', dat destijds het Nederlands toneel overheerste. Fallaux voelde zich meer aangesproken tot de magie en de rituelen van het “Theater van de wreedheid” van Artaud. Hij had een neiging te shockeren en hield zich bezig met Jean Genet, reden voor de directie om hem naar de schoolpsycholoog te sturen. Als assistent van Henk van Ulsen reisde hij stad en land af met “Dagboek van een gek”, na de voorstelling plachten ze in te breken in leegstaande huizen teneinde “de intimiteit van vreemde mensen” te onderzoeken.

Bij het Living Theatre, dat Amsterdam aandeed, vond Fallaux een toneelopvatting die aan de school ontbrak. Hij trok enige tijd op met deze LSD-gebruikende theatercommune en zette daarna een streep onder zijn toneelambities. Hij raakte in contact met Ewald Vanvugt en Wim de Bie, die hem bij het radioprogramma “Uitlaat” van de VARA betrokken. Dat betekende à raison van 45 gulden per bijdrage met een VARA-limousine door het land trekken, om na een interview met wereldverbeteraars te Assen op de achterbank een joint op te steken. Een portret van een ex-SS'er, die hij zonder veroordelend commentaar aan het woord liet, kwam hem op een berisping van de VARA-leiding te staan.

Wat Fallaux tekent, is de afstandelijke houding die hij steeds ten opzichte van modieuze stromingen en predikers van de revolutie aan de dag legde. Zodra iets waarmee hij zich bezighoudt gemeengoed wordt, voelt hij zich ongelukkig. Toen eind jaren zestig aan de Europese universiteiten de studenten in opstand kwamen, was hij er allerminst van overtuigd dat hier de basis werd gelegd voor een nieuwe heilstaat. Toch was hij zijdelings betrokken bij het Sigma-centrum, waar een "internationale subversieve orde' op poten werd gezet. Uit een gevoel van balorigheid en recalcitrantie aanvaardde hij een betrekking als hoofdredacteur van Eva, een progressief vrouwenblad met een oplage van 350 exemplaren, die binnen korte tijd meer dan halveerde. Deze functie, die hij later omschrijft als “een soort pose”, oefende Fallaux een kleine twee jaar uit.

Ook in de hoogtijdagen van het hippiedom, waarin Fallaux zich weliswaar hult in veelkleurige jasjes, een zijden paarse broek en rode hoge laarzen, bewaarde hij afstand. Niet als hippie, maar als als rapporteur van de Unesco voor ontwikkelingsprojecten zette in die tijd koers naar India. Hij verbleef er twee jaar en ontstak in woede over hoe het geld verkeerd besteed werd, maar prees elke cent van de gulden ontwikkelingbijdrage die wèl aan de projecten ten goede kwam.

Lange tijd had hij een groot cynisme ten opzichte van de journalistiek. Hij was er getuige van hoe twee als hasjkopers vermomde verslaggevers van de Haagse Post een Marokkaanse handelaar in het cachot deden belanden en hield er een weinig verheffend beeld van de vaderlandse pers aan over. Het duurde geruime tijd voordat Fallaux zou aanvaarden, dat hij eveneens tot die beroepsgroep behoorde, hoewel hij als "stringer' (free-lance correspondent) voor Agence France Presse de oorlog tussen Oost- en West-Pakistan versloeg.

Bij terugkomst in Nederland trad Fallaux toe tot het team van het VPRO-tv-programma Het gat van Nederland onder leiding van Hans Keller. In die tijd maakte de schoudercamera voor televisiegebruik opgang. Deze stelde de verslaggever in staat een kijkje te nemen in het interieur van bij voorbeeld de politicus, die tot voor kort op de verzuilde Nederlandse televisie slechts op een plechtige en dociele wijze aan het woord werd gelaten. Fallaux maakte "kwajongensopnamen' ten huize van de toenmalige KVP-lijsttrekker Frans Andriessen, die bij binnenkomst van de cameraploeg net uit een dutje ontwaakte. De vrouw van de lijsttrekker luchtte na de verkiezingsnederlaag bij een glaasje wijn haar hart. Het waren gouden tijden voor een later veel nagevolgde televisievorm: een mengeling van ongebondenheid en lyriek, vaak ondersteund door flarden Mahler of Mozart, waarbij de Nederlandse kleinheid en gezapigheid genadeloos werd getoond. Maar naarmate die vorm meer gemeengoed werd, raakten de autoriteiten beter ingespeeld op dit betrappende en voyeuristische reportage-genre.

Fallaux besloot zich “om persoonlijke redenen” aan het einde van een paar seizoenen Het Gat van Nederland voor een half jaar in de Verenigde Staten te vestigen. Hij zou er acht jaar blijven. Zijn blindelingse vertrouwen in het vermogen om altijd en overal aan de kost te kunnen komen liet hem niet in de steek. Hij maakte items en documentaires voor het Amerikaanse vrije, universitaire circuit en legde zich toe op films over de Amerikaanse inlichtingendienst CIA. Na het Watergate-schandaal was er halverwege de jaren zeventig in de Verenigde Staten onder president Carter een periode van zelfonderzoek begonnen. Senator Church leidde een commissie die de geheime dienst onderzocht. In dat klimaat van collectief schuldbewustzijn bestond voor de documentaires "van binnenuit' die Fallaux maakte veel interesse.

Hij raakte in contact met leden van de CIA, die hem “in een voortdurend spel van aantrekken en afstoten” bij operaties betrokken. Hij had broeierige contacten in louche motels, was getuige van conferenties van "zweterige' heren die een coup in Ghana of El Salvador beraamden en filmde de voorbereidingen van een CIA-campagne om in 60 dagen 800 guerilla-strijders in Paraguay te vermoorden. Fallaux was in die tijd gefascineerd door “de banaliteit van het kwaad”, verklaarde hij afgelopen vrijdag in “Een prettig gesprek” met Theo van Gogh op de Amsterdamse kabel-tv. Hem viel het contrast op tussen het dagelijkse politieke vertoon en de wijze waarop in achteraf-kamertjes het "handwerk' werd gedaan. Naarmate hij grotere aversie kreeg tegen de "clandestiene' geheime dienst, groeide zijn bewondering voor de analisten bij de CIA, die een bredere blik hadden dan hun samenzwerende, James-Bond-achtige collega's.

Het twijfelachtige beeld dat Fallaux van de Nederlandse journalistiek had, werd nog eens bevestigd toen hij als eerste Nederlandse verslaggever lucht kreeg van de betrokkenheid van Prins Bernhard bij het Lockheed-schandaal. Hij interviewde in de VS kroongetuige Ernst Hauser en legde de eerste bevestiging door een lid van de Church-commissie vast, dat het hier om de Koninklijke Hoogheid ging die steekpenningen had ontvangen. Geen krant of omroep in Nederland wenste echter zijn bevindingen over te nemen en zelfs bij de VPRO wilde men er de vingers niet aan branden. Na een paar weken toonde slechts de toenmalige hoofdredacteur van de Nieuwe Revu, Ton van Dijk, belangstelling. Fallaux vond het Amerikaanse avontuur welletjes op het moment dat hij zich in New York, Lower East-side, terugvond bij een telefooncel met een half dollarbillet in de hand, teneinde via de man die het andere deel had in contact te komen met de ondergedoken moordenaar van een Chileense diplomaat.

Terug in Nederland werd Fallaux eindredacteur van het VPRO-programma BGTV, dat op zoek ging naar jong film- en televisietalent. In twee seizoenen passeerden er zo'n 450 programmamakers, cameramensen en technici. Op het komende Rotterdamse Filmfestival vertoont hij niet zonder trots twee korte films die door de ooit bij BGTV begonnen Frank Scheffer zijn gemaakt. Fallaux kwam op het idee voor langere tijd met de camera te gaan posten in Nicaragua, de Verenigde Staten, Den Haag en Irkoetsk door de vasthoudende verslagen die Jacob Israel De Haan ooit vanuit Jeruzalem maakte voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Over deze Nederlandse auteur, die nog steeds bij orthodox-joodse groeperingen in de VS als een martelaar geldt, maakte Fallaux een aangrijpende documentaire. Ook met "videobrieven' uit het eenzame Russische achterland, die met de Nipkovschijf werden onderscheiden, bewees Fallaux zijn documentaire-talent.

De tien laatste aaneengesloten jaren bij de VPRO omschrijft Fallaux als een niet onverdeeld genoeglijke periode. Aan hartelijk contact met de directe collega's ontbrak het niet, evenmin als aan de vrijheid die hem bij die omroep geboden werd. Het ging dan ook niet zozeer om hem; de zekerheid dat hij toch altijd wel weer elders aan de bak kwam maakte hem in zekere zin onaantastbaar. Maar wat hem woedend maakte was het schrijnende feit dat juist de leiding van de VPRO-tv de zaak zo kon "verzieken'. Een leiding die hij als “verraderlijk, autoritair en onbetrokken” heeft ervaren en die alleen maar de discussie aanging wanneer een eigen, onduidelijk plan moest worden doorgevoerd. Een discours ontbrak volgens Fallaux volstrekt bij de VPRO; niemand die er zelfs maar de maatschappelijke rol van dit instituut van progressief-intellectuele snit ter sprake bracht. De naar-binnen-gekeerdheid en de bangigheid van de tv-leiding is volgens hem inmiddels ten goede gekeerd met de instelling van algemeen directeur H. van Beers en de nieuwe voorzitter A.J. Heerma van Voss.

Driekwart jaar reisde Fallaux voor de 21-ste editie van het Filmfestival Rotterdam de wereld rond om zo'n 600 films te zien en geld bijeen te sprokkelen. Hij is erg opgetogen over de openingsfilm van Alejandro Agresti, “Modern Crimes”, een in Nederland geproduceerde film die de vergelijking met veel buitenlandse kwaliteitsfilms kan doorstaan. Hij beschouwt de film tevens als een eerbetoon aan de vorig jaar vermoorde Argentijnse filmmaker Solanas en verwijst naar de conferentie "Limits of Liberty', die in het kader van het Filmfestival plaatsheeft. Op initiatief van Fallaux wordt daar de oprichting besproken van een instituut, dat het moet opnemen voor bedreigde, gevangengenomen of gemartelde filmmakers over de hele wereld.

Daarnaast bestaan vergevorde samenwerkingsplannen met het Engelse Channel 4 voor de ondersteuning en bioscoopvertoning van beloftevolle filmprojecten. Bovendien droomt Fallaux van een satellietstation dat films van Afrikaanse en Aziatische filmmakers, van wie het werk nu hoofdzakelijk in het Westen wordt gedraaid, op de buis brengt in de landen van herkomst. Bekommernis met het onrecht in de wereld kan Fallaux niet worden ontzegd. In de omschrijving “Don Quichotte” kan hij zich wel vinden. Hij heeft beslist “engagement”, hoe vreselijk hij dat woord ook vindt. Maar aan de andere kant heeft hij ook de stellige overtuiging dat geen enkele blauwdruk voor een betere toekomst ooit kans van slagen heeft. De in zijn omgeving als hoffelijk, betrokken, snel en veelzijdig omschreven nieuwe directeur van het Rotterdams Filmfestival wil over vijf jaar zelf een speelfilm maken. Dan kan hij eindelijk gaan doen waarvoor hij is opgeleid: regisseren.