Vergeet wat je niet veranderen kunt; Oostenrijk zoekt nog steeds naar zichzelf

Oostenrijk, wat is dat? Een kunstmatigheid, een bezinksel, een wangedrocht? De Oostenrijkers zelf weten het ook niet en zoeken naarstig naar hun identiteit. Een zoektocht die gepaard gaat met het verdoezelen van het (bruine) verleden. De vraag is echter of een proces van verdringing of een weinig heldhaftig verzet tegen het nazidom typisch Oostenrijkse verschijnselen zijn. Misschien is Oostenrijk wel een gewoon land.

Van het Oostenrijkse volk blijkt 53 procent uitgesproken trots te zijn op zijn Oostenrijkerschap, een veel hoger percentage dan in Duitsland (21) of Zwitserland (31). Zelfs het chauvinistische Frankrijk blijft bij de Alpenrepubliek achter. Alleen Engelsen (58) en natuurlijk Amerikanen (87) hebben het nog beter met hun land en zichzelf getroffen.

Maar ondanks die trots leven Oostenrijkers ook in een permanente identiteitscrisis. Ondanks de viering van het vette millennium dat voor de deur staat - in 1996 bestaat het land duizend jaar - worstelt nog menige Oostenrijker met de vraag of zijn natie wel bestaat. De termen "wangedrocht', "kunstmatige constructie', "hersenschim' vallen geregeld in artikelen die zich met het fenomeen Oostenrijk bezighouden. Uitspraken als "Oostenrijk is alleen maar het bezinksel na het ineenstorten van de monarchie' (Journal de Genève) of "Autriche, c'est ce qui reste' (Clemenceau) vinden steeds weer hun weg in boeken en tijdschriften. Jörg Mauthe, een schrijver die in geen andere stad dan Wenen denkbaar is, schreef in zijn "Nachdenkbuch für Österreicher' dat Oostenrijk zo veel tegenstrijdigheden omvat dat het misschien alleen in de fantasie bestaan kan, ""het enige domein waarin tegenstrijdigheden niet worden opgeheven, maar elkaar ten bate van een hogere kwaliteit aanvullen''.

Een fantasieland vol tegenstrijdigheden, 1000 jaar oud, maar nog onzeker over zichzelf, conservatief en links tegelijk, relativerend en "gemütlich', maar ook bereid tot een onverzoenlijke burgeroorlog (1934), vol zelfspot en masochisme naast racisme en nationalisme, in staat tot de meest dodelijke zelfkritiek alsook tot consequente verdoezeling van onprettige waarheden.

Bruin verleden

Alleen in een deel van het buitenland lijkt een helder beeld van Oostenrijk te bestaan. Tot 1986 was dit beeld voornamelijk gevuld door leren broeken en Tirolers, die onder het uitstoten van wilde kreten hun schoenzolen ervan langs gaven. Sindsdien is het verbreed. Door de kandidatuur en verkiezing van Kurt Waldheim heeft het idee postgevat dat het Alpenland bevolkt wordt door zeven miljoen ex-nazi's, die hun bruin verleden met leugens en gedraai verdoezelen, maar die je maar onder hun hempje hoeft te kijken om de bruine bast te zien gloeien.

Het optreden van de liberale leider Jörg Haider heeft daar nog een schepje bovenop gedaan. Zijn uitspraken over de goede kanten van het nazi-bewind (zoals zijn werkgelegenheidsbeleid) en zijn kreet dat zijn partij geen neo-nazipartij is ""omdat zij anders de absolute meerderheid zou hebben'', haalden uiteraard de wereldpers. Dat Haider niet electoraal werd afgestraft, maar zijn partij waarschijnlijk tot tweede partij zal kunnen opstoten, bevestigde het beeld in veel landen dat de Oostenrijkers eigenlijk de onverbeterlijke nazi's van Europa zijn.

Nederland loopt hierbij voorop. Men herinnert zich dat Seyss-Inquart, Rauter, Kaltenbrunner, Hitler en Eichmann Oostenrijkers waren en van daar is het maar een kleine stap naar bovengenoemde opvatting. In een opiniepeiling in een aantal Westerse landen scoorde dan ook Nederland het hoogste bij de vraag: Zoudt u ooit in Oostenrijk willen wonen? Negentien procent antwoordde: nimmer. (Reactie van een Oostenrijker: één op de vijf Nederlanders wil hier misschien niet komen wonen, maar de andere vier komen hier wel met vakantie.)

Het stereotyp van de Oostenrijker als onverbeterlijke nazi klopt alleen niet en zelfs is er veel af te dingen op de visie dat Kurt Waldheim - die nooit een echte nazi was, maar zijn ogen sloot voor de gruwelen om hem heen en later zijn rol als verbindingsofficier bij de oorlogsmisdadiger Lohr verzweeg - het prototype is van de Oostenrijkse meeloper. Zijn opportunisme, carrièrisme en verdoezeling van smetten op zijn verleden maken hem eerder verwant met een in bijna alle landen veel voorkomend, door ijdelheid en ambitie voortgedreven type. Helaas geen exclusief Oostenrijks verschijnsel.

Taal

Terug naar het identiteitsprobleem. Een land, een volk heeft kenmerken nodig die het onderscheiden van zijn omgeving om een identiteitsbesef te kunnen ontwikkelen. Een eigen taal mag daarbij niet beslissend zijn volgens de moderne sociologische theorie, maar helpen doet het zeker. De Oostenrijkers hebben zo'n eigen taal niet. Er mogen nog zoveel Erdäpfel, Fisolen, Paradeiser, Einspänner en Mélanges in de Alpenrepubliek worden verorberd en Duitse bezoekers mogen nog zozeer hun hoofd schudden over Oostenrijks taalgebruik, de taal van Oostenrijk is Duits en zijn cultuur is, ondanks eigen trekken, een deel van de Duitse cultuur, zoals elke Oostenrijker in een onbewaakt ogenblik ook zal toegeven.

Niet taal, niet de godsdienst, niet de staat en al helemaal niet stamverwantschap kunnen volgens de huidige wetenschappelijke inzichten aangeven of we met een natie te doen hebben. Georg Jellinek omschrijft een natie als ""een veelheid van mensen, die door een groot aantal gemeenschappelijke, kenmerkende cultuurelementen en een gemeenschappelijk historisch verleden zich verenigd en daardoor van anderen verschillend weet''.

Bestaat het huidige Oostenrijk volgens dit criterium? Ja, maar pas sinds kort, want het grootste deel van de straks te vieren 1000-jarige geschiedenis was de geschiedenis van een groot, uit vele culturen en volkeren bestaand conglomeraat, steeds wisselend van vorm en omvang en alleen bijeengebracht en -gehouden door het huis Habsburg. Pas na 1918, toen Oostenrijk als Duitstalige scherf uit de k.u.k.-pot overbleef, begon een gemeenschappelijke geschiedenis, die zonder overdrijven ook best een lijdensweg genoemd zou kunnen worden.

Zonder kort deze historie op te rakelen is het huidige Oostenrijk moeilijk te begrijpen. Na de Eerste Wereldoorlog wilde het tot Duitstalige kleinstaat gereduceerde land niets liever dan deel worden van het grote Duitse rijk aan de noordgrens, dat toen juist bezig was een nieuw hoofdstuk in zijn geschiedenis op te slaan met de vorming van de Republiek van Weimar. Deze "Anschluss' werd verboden door de geallieerde overwinnaars van de oorlog: romp-Oostenrijk werd gedwongen een eigen geschiedenis te ontwikkelen.

Een kleine twintig jaar werd hieraan in de Eerste Republiek met veel emotie gewerkt. Het land was door een onoverbrugbare kloof verdeeld tussen sterk door het marxisme geïnspireerde socialisten en klerikale burgerlijke conservatieven. Rood en Zwart bepaalden het leven, wat leidde tot een verzuiling, die haar weerga alleen in Nederland heeft beleefd. De roden wandelden, dansten, speelden gitaar en zongen in hun eigen rode organisaties, precies als de katholieke zwarten dat deden. Tot op de dag van vandaag vindt men, net als in Nederland, vele overblijfsels van de rood-zwarte verzuiling in het dagelijkse leven van de Oostenrijkers.

Haat en afkeer

In Nederland bleef de gewone man keurig in zijn religieuze of ideologische zuil, maar de heren aan de top deden zaken met elkaar en sloten hun noodzakelijke compromissen. In Oostenrijk werkte het niet zo. Aan de top van de rode en zwarte zuilen beoorlogde men elkaar met niets ontziende haat en afkeer, een situatie die pas na de hardhandige lessen van de Tweede Wereldoorlog veranderde. In de Tweede Republiek nu bedisselen de twee grote politieke en maatschappelijke krachten met elkaar de staatszaken. Maar zonder wederzijds vertrouwen, zonder ware compromissen. Het befaamde "Proporz-systeem', waarbij onder elke rode functionaris een zwarte, en onder elke zwarte een rode wordt benoemd, is het wanstaltige gevolg van de nieuwe, nog steeds op diep wantrouwen gebaseerde bedisselcultuur.

In de jaren twintig en dertig regeerden de socialisten in Wenen en probeerden daar een modelbewind te voeren met sociale woningbouw, kinderspeelplaatsen en progressieve scholen, waaraan de hele wereld zich behoorde te spiegelen (Aan het Weense wezen moest de wereld genezen). De klerikale conservatieven beheersten de nationale politiek en de rest van het land. Zij raakten steeds meer beheerst door angst voor het rode gevaar en ontwikkelden in 1932 hun versie van het fascisme onder bondskanselier Dollfuss, die de communistische en socialistische partijen en ook de nazi-partij verbood.

Parool in deze dagen: als je de roden zelf uitschakelt, kun je de nazi's "überhitlern' en onafhankelijk blijven. Want intussen was er in Oostenrijk toch een sterk nationaal gevoel ontstaan en ook bij de Austrofascisten van Dollfuss en later bondskanselier Schuschnigg was een Anschluss bij nazi-Duitsland niet meer populair: Oostenrijk moest met hulp van andere autoritaire regimes, zoals die van Mussolini of Horthy, zijn eigen versie van een "moderne' corporatistische standenstaat kunnen uitleven.

Iedereen weet het: in 1938 maakte Hitler korte metten met het Oostenrijkse zelfstandigheidsgezeur, lijfde het land in en stuurde de laatste bondskanselier van Oostenrijk, Seyss-Inquart, twee jaar later als troost naar Nederland. Maar vast lijkt wel te staan dat een meerderheid van de Oostenrijkers in 1938 niet voor aansluiting bij Hitler-Duitsland voelde. Een referendum, waarbij zij dat hadden kunnen uitspreken, werd niet voor niets onder druk van Hitler, die van zijn staatssecretaris Keppler gehoord had dat de volksstemming niet pro-Duits zou uitvallen, afgelast.

Kort hiervoor hadden nog een miljoen Oostenrijkse arbeiders zich met naam en toenaam bereid verklaard voor Oostenrijks onafhankelijkheid te vechten, ondanks het feit dat hun socialistische partij door de regering in Wenen verboden was verklaard. Dat er bij de intocht van de 116.000 Duitse troepen in maart 1938 duizenden Oostenrijkers stonden te juichen, weerspreekt het bovenstaande niet. In 1930 stemden tenslotte 66.000 Weners voor de nazi-partij, in Neder-Oostenrijk en Salzburg in 1932: 336.000. Bij lange na geen meerderheden, maar aantallen, waarmee heel wat straten en pleinen te vullen zijn.

Enig verzet

Hiermee wil niet gezegd zijn dat de Oostenrijkers na de gedwongen Anschluss van 1938 massaal het verzet in gingen om de Duitse usurpatoren het land uit te krijgen. Verre van dien. Er was enig verzet. Zo'n 20.000 Oostenrijkers werden door de nazi's geëxecuteerd of kwamen om in concentratiekampen, 16.000 stierven in Gestapo-gevangenissen, rond 100.000 "zaten' als politieke gevangenen. Afgezien van de ruim 65.000 joodse burgers die door de nazi's uit racisme werden vermoord.

Het merendeel van de nieuwbakken burgers van het Grootduitse rijk volgde het parool: wegduiken en onopvallend "je plicht doen', om een onthullende beschrijving van Waldheim van zijn oorlogsinspanningen te citeren. En zeer zeker identificeerden ze zich met het wel en wee van de Duitse natie. Vandaar dat nu nog altijd in het spraakgebruik over de periode van 1938-1945 als over de "oorlog' wordt gesproken, over 1945 als de "Zusammenbruch' en de jaren van 1945 tot 1955, toen de Russen, Britten, Fransen en Amerikanen nog in het land waren, als over de "Okkupation'. Waarschijnlijk tot veler stomme verbazing ontdekte men na 1945 dat de geallieerden in 1943 in Moskou een memorandum hadden opgesteld, waarin Oostenrijk tot eerste slachtoffer van de nazi-agressie werd verklaard en beloofd werd de Oostenrijkse onafhankelijkheid te herstellen (in ruil weliswaar voor hulp bij de oorlogsinspanning; rond 60.000 Oostenrijkers, grotendeels joden, vochten dan ook aan de kant van de geallieerden).

Niet alleen was het Moskouse memorandum een onverwachte bonus, waarop na 1945 het nieuwe Oostenrijk zijn toekomst kon gaan bouwen, maar de stelling van Oostenrijk als slachtoffer sloot ook geheel aan bij de ervaring van het moment. Door de Duitsers was Oostenrijk tenslotte meegesleurd in een avontuur dat honderdduizenden mensen het leven had gekost en heel wat puin had veroorzaakt. Maar erg diep werd over het hele debâcle niet nagedacht. Wie nu zegt dat de Oostenrijkers, als zij werkelijk Hitlers eerste slachtoffer waren, de jaren 1938-1945 de jaren der "Okkupation' zouden moeten noemen en 1945 niet de "Zusammenbruch', maar de "bevrijding', loopt de kans beschouwd te worden als een gevaarlijke gek.

Behalve dat de Moskouse verklaring tegemoetkwam aan het collectieve levensgevoel in 1945, appelleerde zij aan een van de kenmerken van de Oostenrijkse ziel volgens kenners: de kunst tot verdringing. Freud zou niet voor niets in Wenen tot zijn leer van het onderbewuste en de verdringing gekomen zijn. De Oostenrijker, de Wener, zou de drager par excellence zijn van dit psychomotorische verschijnsel, veroorzaakt, aldus de onofficieel tot nationale volkstherapeut benoemde Erwin Ringel, door de liefdeloze opvoeding door ouders die maar drie educatieve doelen kennen: gehoorzaamheid, spaarzin en beleefdheid.

Tweede natuur

Van kind af aan leert de Oostenrijker zijn haat tegen de monsters die deze discipline opleggen te verdringen en op een dag wordt dat zijn tweede natuur. Zoals de toneelschrijver en dichter Peter Turrini begin december nog naar voren bracht bij een optreden in de heilige hallen van het Oostenrijkse parlement: ""Het is zo moeilijk de waarheid te zeggen als je geleerd hebt met vriendelijkheid te overleven.'' Of, zoals de directeur van de Oostenrijkse televisie, Bacher, het uitdrukte: ""Het Oostenrijkse woord voor boemerang is: waarheid.'' En omdat de boemerang meestal met een pijnlijke klap doel treft hoort hierbij dat de boodschapper die de akelige waarheid brengt als boosdoener aan de kaak wordt gesteld of zelfs wordt verdreven. In Oostenrijk, waar in de eerste decennia van deze eeuw de heilige huisjes verstorende genieën in vele hoeken en gaten bloeiden, is het niet moeilijk voorbeelden te vinden van deze houding. Mahler, Schönberg, Kokoschka, Musil en Freud, zij werden tijdens hun leven niet of nauwelijks geëerd in eigen land.

Maar is de verdringing wel zo'n uniek Oostenrijks verschijnsel? En is miskenning van de geniale geesten van eigen bodem een neurotische afwijking van het volk langs het middenstuk langs de Donau? Verdringing, het talent tot zelfbedrog, lijkt eerder een algemeen menselijk fenomeen, onmacht om de waarheid van het eigen verleden oprecht in het gezicht te zien kenmerkt vele volkeren. Hoe springen de democratische Amerikanen historisch met het uitmoorden der Indianen om, hoe met de nog altijd niet verdwenen rassendiscriminatie? Hoeveel toneelstukken en romans behandelen het Nederlandse koloniale verleden als moreel probleem; is het Nederlandse meeloperdom tijdens de Bezetting van 1940-1945 ooit aan de kaak gesteld, hoe hartelijk werden Van Gogh, Mondriaan en Multatuli in Nederland bejegend en gekoesterd?

Scheldliteratuur

In Oostenrijk zorgt in elk geval een zeker masochisme (natuurlijk: Masoch was ook een Oostenrijker) ervoor dat men plezier beleeft aan de meest gruwelijke schimpscheuten. Karl Kraus, die zijn land zei innig lief te hebben, maar het wel beschreef als het ""proefstation voor de ondergang van de wereld'', is misschien het meest frappante voorbeeld van een niets sparende scheldschrijver, die toch een grote aanhang had. Sedert na 1945 de Oostenrijkse literatuur beheerst wordt door schrijvers uit de provincie, ""kinderen van het postfascisme'' (Turrini), zonder vaders opgegroeid (zij waren dood of moesten het land weer opbouwen), kan men opnieuw spreken van scheldliteratuur, die geen spaan heel laat van volk en samenleving. Niet voor niets heette een van de eerste stukken van Peter Handke "Publikumsbeschimpfung'.

Hoe grondig dit schelden kan worden aangepakt is te zien in Thomas Bernhards "Heldenplatz', dat recent in Nederland is opgevoerd. Bernhard is desondanks een bewonderde schrijver, wiens reputatie er ook niet onder lijkt te lijden dat hij in zijn testament heeft bepaald dat er geen nieuwe opvoeringen van zijn stukken in Oostenrijk mogen plaatsvinden en wiens gezag als kritische instantie niet is aangetast door het bekend worden van gedragingen, die volstrekt in strijd waren met de vele woedend geformuleerde voorschriften die hij het Oostenrijkse publiek in het gezicht slingerde. Misschien komt dat wel omdat het schelden meer als amusement dan als confrontatie met de waarheid wordt opgevat.

Het zoeken naar de eigen identiteit wordt niet alleen met invectieven beoefend. Een aantal kunstenaars en intellectuelen is niet boos, maar berustend en kan zich vinden in de woordspeling dat de Oostenrijkers "de Irrelevantiner' van het Westen zijn. Het woord van de toneelschrijver Nestroy: ""succes is niet beslissend'' zien velen als een passend motto voor deze Centraaleuropese staat, waar de hopeloosheid van veel ondernemingen, waar Duitsers en ander overijverig volk hun leven voor inzetten, al tevoren vaststaat. ""Glücklich ist wer vergisst was doch nicht zu ändern ist'', wordt gezongen in die Fledermaus. Volgens therapeut Ringel zou het voor Oostenrijk het meest passende volkslied zijn.

Met die berusting is alleen niet alles verteld. Velen zien in de Oostenrijkse ziel demonische krachten op de loer liggen. ""Dämonen rumoren im Blut'', is zowel over Wenen als Karinthië geschreven. In Wenen is er zelfs een legende, die hiernaar verwijst. De Basilisk, een afzichtelijk monster, zou er vroeger diep in het verborgene hebben geleefd en alles verslonden hebben wat hij te pakken kreeg. Overwonnen werd hij toen hem een spiegel werd voorgehouden. Bij het waarnemen van zijn eigen afzichtelijkheid spatte hij jammerlijk uit elkaar. De demonische Oostenrijkse ziel, geconfronteerd met zichzelf, zou niet kunnen overleven. Het hoge zelfmoordcijfer in dit land zou hierdoor verklaard worden.

Vormelijkheid

Wie in Oostenrijk als buitenlander woont, hoort weinig van het gestommel der demonen. Eerder valt de rustige gelatenheid van de Oostenrijker op en een vormelijkheid, die doel in zichzelf lijkt te zijn en niet meer verwijst naar keizerrijk of kerk. Gewerkt wordt hier maar viereneenhalve dag per week: vrijdagmiddag houdt men het voor gezien. De wereld verbeteren staat, na alle debâcles in deze eeuw, niet op de agenda. De hoffelijke levensstijl houdt niet alleen in dat de zwart uitgedoste obers voorkomend zijn, maar ook dat men niet bij rood licht oversteekt en de pui van de buurman niet met viltstift bekladt. Knetterende motorfietsen, die de manlijkheid van de berijder benadrukken, vervuilen niet het geluidsdecor: men houdt van rust en orde. Dit leidt er ook toe dat de Oostenrijker nog altijd moet wennen aan kissebissende politici en hun weinig achting toedraagt. Het meeste vertrouwen geniet de politie (56 procent).

Hiermee wil niet gezegd zijn dat Oostenrijk de Wereldgeschiedenis gelaten over zich heen laat gaan en de boze buitenwereld effectief heeft buitengesloten. Sinds 1986, het jaar van Waldheims verkiezing toen de wereld Oostenrijk als onverbeterd bruin nest ontdekte, en sinds de ineenstorting van het naburige communisme is er in Oostenrijk van alles gebeurd. Het verdrongen nazi-verleden werd op straat gelegd in de vorm van een groot monument in het hartje van Wenens oude binnenstad. Een joods slachtoffer heeft er een centrale plaats in gekregen van beeldhouwer Hrdlicka. (De Duitse schrijver en journalist Klaus Harpprecht wijst er in zijn Oostenrijks dagboek "Am Ende der Gemütlichkeit' met recht op dat een dergelijk monument in de Westduitse Bondsrepubliek niet is opgericht). Ook heeft bondskanselier Vranitzky vorig jaar geleden de medeverantwoordelijkheid van vele Oostenrijkers aan de nazi-misdaden erkend en betreurd, iets wat de joodse emigrant Bruno Kreisky, bondskanselier van 1970 tot 1983, niet over de lippen heeft gekregen.

Pragmatisme

Dirndls en leren broeken mogen nog gedragen worden, Heurigen en bals in rok en lange jurk mogen een deel van het sociale leven nog bepalen, het onderdanenbewustzijn mag nog voortleven (net weer onderzocht door Fritz Plasser en Peter Ulram in "Staatsbürger und Untertan'), Oostenrijk is óók een land met een sterk milieubewustzijn (het huisvuil wordt door de burgers twee keer zo gedifferentieerd voorgesorteerd als in Nederland), met een zeer actieve investeringspolitiek in de net ontsloten Oosteuropese landen en een culturele vitaliteit, die van Fledermaus tot avant-garde reikt. Een land, waar het pragmatisme de oude rode ideologie nu zozeer heeft overwonnen, dat de staatsindustrieën nu eindelijk geprivatiseerd gaan worden.

Hierdoor zullen de tegenstellingen natuurlijk alleen maar toenemen en Robert Musils beschrijving van Oostenrijk als een land van tegenstrijdigheden, die nooit een synthese hebben gevonden, zal geldig blijven. En het moeizaam zoeken naar de eigen identiteit, verhevigd door het staan op de drempel van het Europese Gemeenschapshuis, zal nog wel een tijd doorgaan. Ondanks het onmiskenbare succes van de Tweede Republiek, die met Austro-marxisme en Austro-fascisme in haar verleden ook heel goed aan haar innerlijke tegenstellingen ten gronde had kunnen gaan.

Moeilijk krijgt vooral het arme dier in het Oostenrijkse staatswapen het: de adelaar, die in zijn klauwen nog altijd twee, nu alom verafschuwde symbolen moet vasthouden: de hamer en de sikkel.