Tunesisch bewind: "Geen vrijheid voor bedreigers van de vrijheid'

TUNIS, 18 JAN. In Tunis is de afgelopen dagen met een afwachtende zucht van verlichting op de ontwikkelingen in Algerije gereageerd. Weliswaar riep de Tunesische president generaal Ben Ali in een toespraak tot leden van de Tunesische veiligheidsdiensten zijn gehoor op waakzaam te blijven, maar in regeringskringen in Tunis heerst de opvatting dat het allerergste in Algiers voorlopig voorbij is.

In ieder geval heeft de Tunesische regering de nieuwe regeerders in Algiers nauwe samenwerking aangeboden als zij inderdaad besluiten het fundamentalistische Front van Islamitische Redding (FIS) met harde hand de toegang tot de macht te ontzeggen. Sinds de Tunesische minister van binnenlandse zaken, Abdallah Kallel, vorig jaar een bezoek bracht aan zijn Egyptische collega generaal Abd el-Halim Moussa, lopen dergelijke afspraken al met Egypte.

“Geen vrijheid voor de bedreigers van de vrijheid”, is het officiële parool in Tunis. De boodschap is duidelijk: het Tunesische bewind is bereid met alle gestrengheid Tunesiës moderne verworvenheden op sociaal en economisch gebied te verdedigen tegen wat het beschouwt als “middeleeuwse obscurantisten, die de heilige religie van God misbruiken om de zwartste reactie over ons te laten neerdalen”.

Een andere leuze, “geen rechten voor de bestrijders van de rechten van de mens”, is niet overal in Tunesië populair. Dat geldt ook voor de activiteit van de Tunesische geheime diensten, die allergisch zijn voor alles dat naar islamitisch fundamentalisme riekt. Hun optreden op de universiteiten en in die volkswijken van de Tunesische steden waar tijdens de gemeenteraadsverkiezingen een paar jaar geleden de fundamentalisten officieel tot bijna 30 procent van de stemmen behaalden, is al maanden een bron van heftige discussie.

Want Tunesië, dat zijn betrekkelijke welvaart mede te danken heeft aan zijn imago van tolerantie en stabiliteit, zit met het probleem die politiek van hard optreden tegen de fundamentalisten naar binnen en buiten toe geloofwaardig te verkopen. Daarnaast mag onderdrukking van het islamitische fundamentalisme op korte termijn misschien soelaas bieden, op langere termijn zijn er andere maatregelen nodig om de fundamentalisten de wind uit de zeilen te nemen. Dat valt niet alleen binnen de Tunesische seculiere oppositie te horen. Ook binnen het Tunesische regime vat de mening post dat de populariteit van de zich op islamitische rechtvaardigheid beroepende fundamentalistische groepen alleen kan worden doorbroken door hun het oppositiemonopolie te ontnemen. Een grotere politieke openheid dient gepaard te gaan aan versnelde economische en sociale vernieuwing en groei en aan een tegemoetkoming aan de wensen uit de maatschappij het Tunesische openbare leven een wat islamitischer tintje te geven.

Op papier oogt dat recept niet onaardig. Maar het is de vraag of het voldoende is. “De regering belooft meer brood en meer democratische spelletjes”, aldus een lid van de sociaal-democratische oppositie in Tunis. “Maar dat is niet voldoende. De fundamentalisten hebben hun aanhang niet alleen te danken aan het feit dat onder Bourguiba en diens opvolger Ben Ali andere vormen van oppositie zo onmogelijk zijn gemaakt dat de religie de enige uitweg bleef het regime fundamenteel te kritiseren. Het gaat erom dat het regime niet in staat is geweest het intellectuele klimaat te scheppen waarin vernieuwend kan worden gedacht. Het regime denkt de boel te kunnen klaren door het opbrengen van wat uiterlijke schoonheidsmiddelen. Maar daar gaat het helemal niet om. Het gaat om een diepgaande mentaliteitswijziging om de manier waarop de regeerders tegen de burgers aankijken. Zolang dat niet verandert blijft het fundamentalisme voor grote groepen van de samenleving een aantrekkelijk ideaal.”

Met andere woorden, de staat is in de ogen van veel burgers ongeloofwaardig geworden en de oplossing moet worden gezocht door staat en burger, gezag en maatschappij beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Dat zal niet meevallen, want precies op dat punt komen de fundamentalisten met een pasklare oplossing. Zij stellen dat de islamitische maatschappij de staat moet heroveren. En het lijdt geen twijfel dat de ogen van de Tunesische fundamentalisten wat dat betreft op Algiers zijn gericht.

“De ongelovige, verwesterste elite in Algiers probeert op het laatste moment de overwinning van het FIS af te kapen”, luidt het in die kring. “Er is een Jihad, een Heilige Oorlog, nodig om dat te voorkomen. Maar wij zullen overwinnen, hier in Tunesië en daar in Algerije. De nieuwe machthebbers in Algiers zullen worden weggevaagd en daarna de machthebbers in Tunis. Over vijf jaar is de hele Arabische wereld weer islamitisch. Let op onze woorden.”

Dat wil niet zeggen dat men in kringen van Tunesiës fundamentalisten de toekomst nu even hoopvol tegemoetziet als, zeg, twee weken geleden. Termen als "een Westers komplot', een "internationale samenzwering tegen de islam', rollen onafgebroken uit de fundamentalistische monden. In het huis van een dierenarts waar aanhangers van de Tunesische fundamentalistische leider Rachid Gannouchi bijeenzijn, staat de frustratie op de gezichten te lezen. Zij zijn allemaal bereid shahid te worden voor de totstandkoming van het Godsrijk, martelaar in de oorspronkelijke betekenis van "bloedgetuige'.

In Tunesische intellectuele kring is daar het nodige begrip voor. “Ik begrijp uw woede en frustratie, ik begrijp uw wensen en behoefte naar een rechtvaardige maarschappij, waarin u en ik vrijelijk onze islamitisch-Arabische identiteit kunnen uiten”, aldus de veelgelezen columniste Emna Dakhlaoui in het blad Haqa'iq. “Alleen, uw weg is niet de juiste. Gods ware weg (shar'a) is die van erbarmen en barmhartigheid en niet van obscurantisme en zinloos bloed vergieten. Wat u wilt is wat ik wil, een maatschappij waarin de burgers opnieuw de macht over de staat hebben verkregen en geen plaats meer is voor de arrogantie van de macht. Een maatschappij waarin de heerschappij van een stel plutocratische kleptocraten is doorbroken en we trots het hoofd op kunnen richten om te zeggen, zoals de Algerijnse sjeik Ben Badis dat zei in de jaren dertig tegen de Fransen, "ik ben moslim, nooit Afrikaan en Arabier'.”

In afwachting van een dergelijke, ingrijpende mentaliteitswijziging, eerder een kwestie van jaren dan van maanden, heeft de Tunesische regering geen geheim gemaakt van haar angst dat de Algerijnse fundamentalisten, als ze alsnog in Algiers aan de macht komen, hun idealen naar Tunesië exporteren. De leider van de verboden fundamentalistische partij En-Nadha, Rachid Gannouchi, is weliswaar na hevig Tunesisch aandringen eind vorig jaar uit Algiers gezet en woont nu tijdelijk in Genève, maar niemand in Tunis maakt zich enige illusie over het feit dat, mocht er een islamitische republiek in Algerije komen, hij opnieuw jubelend in Algiers wordt ingehaald.

Het gaat de Tunesische regeerders echter niet alleen om de angst dat gewapende fundamentalistische infiltranten vanuit Algiers Tunesië binnenkomen. Men houdt er in Tunis ook rekening mee dat de ontwikkelingen in Algerije kunnen uitlopen op een openlijke of verkapte burgeroorlog, in ieder geval op een strijd op leven en dood tussen het Algerijnse leger en gewapende fundamentalistische groepen.

Vorig jaar november had een dergelijk gewapend treffen al plaats in de grote oase El-Oued in de Sahara, niet ver van Algerijes grens met Tunesië. En eerder dat jaar was het gerucht dat de radicale fundamentalistische Algerijnse groep Takfir wa'l-Hidjra, Banvloek en Uittocht, in de Sahara niet ver van de Tunesische grens bezig was militaire trainingskampen op te richten, waar ook Tunesische fundamentalisten welkom waren. Voor Tunis was dat aanleiding legereenheden en tanks naar het grensgebied te dirigeren.

Het laatste dat de Tunesische regering wil is dat dit soort groepen de ruim 1000 kilometer lange grens overvluchten, om vanuit Tunesië invallen in Algerije te kunnen doen. Daarom wordt door sommige Tunesiërs al openlijk gepraat over het herstel van de "Maurice-linie' het stelsel van prikkeldraad, forten, wachttorens en elektronische verklikkers, dat de Fransen in de jaren vijftig langs de grenzen van Frans-Algerije met Marokko en Tunesië aanlegden en waarvan de restanten nog overal zijn te zien.

Het levert voor de Tunesische regering ook het spookbeeld op ingeklemd te raken tussen enerzijds het regime van kolonel Gaddafi in Libië, die zijn eigen, door fundamentalisten overigens heftig bestreden versie van islamitisch radicalisme predikt en een fundamentalistisch Algerije, dat openlijk zegt zijn idealen te gaan exporteren via zowel “overreding als terreur”.