Stadsgezichten van Den Haag, "het grootste dorp van Europa'; Burgerlijke stad, maar met grandeur

Tentoonstelling: Haagse stadsgezichten 1550-1800, t/m 23 feb. in het Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7, Den Haag. Catalogus (verschijnt volgende maand) ƒ89,50.

Den Haag bevindt zich in de merkwaardige positie al eeuwenlang het politieke centrum van de Nederlanden te zijn, maar nooit de status van stad te hebben verworven. Dit koninklijke dorp had vroeger geen stadswallen en daarmee geen stadsrechten, maar was wel vanaf de dertiende eeuw de residentie van de machtige graven van Holland.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog met Spanje bleek de kwetsbaarheid van het dorp zonder verdedigingsmuren. De vergaderingen van de Staten van Holland en de Staten-Generaal werden tijdelijk verplaatst naar het Prinsenhof te Delft. Als het aan deze stad had gelegen, was dat zo gebleven en was 's-Gravenhage zelfs met de grond gelijk gemaakt. Maar de traditie won en de Staten-Generaal keerden in 1585 weer terug naar Den Haag. De machtige Republiek der Nederlanden werd aldus bestuurd vanuit "het grootste dorp van Europa', zoals het in de zeventiende eeuw werd genoemd.

Deze historische eigenaardigheid heeft het Haags Historisch Museum er niet van weerhouden een tentoonstelling te wijden aan het Haagse stadsgezicht. Centraal staan de ontwikkeling van het stadsgezicht als genre en het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Aanleiding was de uitgave van het eerste deel van een reeks van vijf catalogi waarin het gehele schilderijenbezit van het museum wordt beschreven. Dit eerste deel bevat alle topografische schilderijen gemaakt voor 1800. Volgens de oorspronkelijke opzet zou het vorige maand verschijnen, maar dat is uitgesteld tot volgende maand. De tentoonstelling moet het voorlopig dan ook doen zonder de degelijke begeleiding die van een 650(!) pagina's dik boekwerk verwacht mag worden.

Zoals te verwachten werd de Hofvijver het vaakst afgebeeld. Het is niet alleen een van de schilderachtigste plekjes van Den Haag, maar tevens symbolisch voor de bestuurlijke functie van de stad. Op de vroegste tentoongestelde werken, die dateren vanaf 1553, wordt de Hofvijver steeds geschilderd vanuit een hoog vogelvluchtperspectief. De voorstellingen worden verlevendigd door een stoet rederijkers, een boogschutter die oefent, of een steekspel op de vijver, een destijds populair volksvermaak. Toch blijft er een zekere afstandelijkheid: door het hoge gezichtspunt kijkt men immers op de bedrijvigheid neer. Soms worden de prinsen Maurits en Frederik Hendrik met gevolg op de voorgrond afgebeeld, zoals in het ijsgezicht van Adam van Breen uit 1618. De genres van het stadsgezicht en het portret worden zo gecombineerd en de residentiële functie van Den Haag benadrukt.

In de zeventiende eeuw lijken de schilders meer oog te krijgen voor de omgeving van Den Haag. Heel bijzonder is het Gezicht op 's-Gravenhage met twintig dorpsgezichten uit de omgeving van Jacob van der Croos uit 1663. Het is een soort uitvergrote ansichtkaart met één centrale voorstelling, omringd door twintig kleinere. Den Haag en omgeving zien er nog zeer landelijk uit. Dezelfde sfeer spreekt uit het spectaculaire, vijf meter brede panorama van Den Haag dat Jan van Goyen in 1651 in opdracht van het stadsbestuur schilderde ter decoratie van het stadhuis. Deze monumentale opdracht is bovendien tekenend voor het toenemende zelfbewustzijn van de overheid.

In de achttiende eeuw neemt de deftigheid toe en het zijn de schilderijtjes uit deze tijd die misschien het beste aansluiten bij het tegenwoordig gangbare beeld van Den Haag. De Amsterdamse schilder Jan ten Compe werkte in de periode van 1745 tot 1755 regelmatig in Den Haag. Hij schilderde met een zacht kleurenpalet en een sobere stoffering waardoor de classicistische architectuur meer aandacht krijgt. Zijn kleine, nauwkeurige schilderijtjes geven een aardig beeld van een burgerlijke stad met toch een zekere grandeur. Op een vergelijkbare manier werkte de Duitse schilder Merken die tussen 1754 en 1756 in Den Haag verbleef, maar over wie verder maar weinig bekend is.

Het grootste deel van de produktie van achttiende-eeuwse stadsgezichtjes kwam echter voor rekening van de familie La Fargue. De meest talentvolle was Paulus Constantijn die talloze schilderijtjes maakte van onder andere Den Haag en Scheveningen. Ze doen wat stijver aan dan het werk van Ten Compe, maar de manier waarop licht- en schaduwpartijen het straatbeeld verlevendigen, verraadt toch een grote vaardigheid. Die is al veel minder manifest aanwezig in het werk van zijn broers en zuster die veelvuldig gebruik hebben gemaakt van zijn schetsen.

Naast de schilderijen is er ook een groot aantal tekeningen te zien. Zoals zo vaak blijken deze veel spontaner en vrijer dan de schilderijen. Er is veel moois van onder anderen Jan de Bisschop en Cornelis Pronk.

Eind achttiende eeuw verdween het genre van het stadsgezicht, hetgeen samenhing met de economische malaise tijdens de Franse overheersing. Wanneer het in de negentiende eeuw weer enigszins opbloeit, heeft het een romantische gedaantewisseling ondergaan en is het met het nauwkeurige en waarheidsgetrouwe stadsgezicht gedaan.

De tentoonstelling laat zeker een aantal mooie werken zien en voor de Hagenaar is er natuurlijk het feest der herkenning. Voor wie zich minder met Den Haag verbonden voelt, is zij in haar geheel genomen toch een beetje saai. Misschien is dat inherent aan het onderwerp: stadsgezichten van een en dezelfde stad hebben nu eenmaal de neiging nogal op elkaar te lijken. Wie ter afleiding een blik uit het raam werpt, komt bedrogen uit: het museum biedt uitzicht op de Hofvijver.