Scholier klust bij voor brommer en cd's

AMSTERDAM, 18 JAN. Op zijn gloednieuwe brommer bezorgt de zestien-jarige Bastiaan iedere middag zestig kranten op de Amsterdamse Nieuwendammerdijk. Het geld dat hij met zijn krantenwijk verdient, zo'n 200 gulden per maand, gebruikt hij om zijn brommer af te betalen. Van de twintig gulden zakgeld die hij wekelijks krijgt, koopt hij de benzine. “Ik ben iedere dag een half uurtje bezig met mijn wijk”, zegt Bastiaan die in de vierde klas van de MAVO zit. “Daarnaast houd ik meer dan genoeg tijd over voor mijn huiswerk.”

Steeds meer jongeren werken op steeds jongere leeftijd. Volgens een scholierenonderzoek door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) werkt 53 procent van de schoolgaande jongens tussen de 15 en 19 jaar en 45 procent van de meisjes. In 1984 lagen de percentages op respectievelijk 48 en 37 procent. De meest voorkomende banen zijn kranten bezorgen (27 procent van de werkende scholieren) en werken in een winkel (26 procent). Ook populair is werk in de horeca en op een boerderij: beide goed voor 12 procent.

“Ik doe alle standaard klusjes bij een veehouder bij mij in de buurt: koeien melken, kuilsnijden, maaien, hooibouw.” Andries (17) gaat iedere dag rechtstreeks uit school naar zijn "werk' waar hij tot zeven uur 's avonds blijft. “Ik wil na de HAVO die richting op en de ervaring heb ik jammer genoeg niet van huis uit meegekregen. Ik ben nu eenmaal geen boerenzoon”, verklaart hij lachend.

Uit de NIBUD-enquête blijkt dat de meeste jongeren (65 procent) werken voor het geld. Zo'n twintig procent heeft een baantje “om iets te doen te hebben”. Van de meisjes voert 8 procent als reden aan dat ze met een bijbaantje contacten hoopt te leggen.

De gemiddelde tijd dat schoolgaande jongeren bijklussen is 8,4 uur per week. “Nederland gaat steeds meer in de richting van de Verenigde Staten, waar 30 procent van de scholieren meer dan twintig uur per week werkt”, aldus R. de Zwart, projectleider van het scholierenonderzoek van het NIBUD. Hij gelooft niet dat bijbaantjes ten koste gaan van het schoolwerk. Wel blijkt dat kinderen gemiddeld een half uur per dag minder slapen dan acht jaar geleden.

Branka (17) werkt vooral omdat ze “het leuk vind”. “En dat ik verdien is erg gemakkelijk, want je kunt niet lekker stappen als je geen geld hebt.” Branka, die in de eindexamenklas van de HAVO zit, werkt op donderdagavond en de hele zaterdag. Ze verdient ƒ 5,50 per uur, zo'n 220 gulden per maand. “Behalve aan uitgaan geef ik mijn geld uit aan kleren, sigaretten en ik spaar voor mijn vakantie”, zegt Branka die ervan droomt later zelf een modezaak te hebben.

De Zwart signaleert dat kinderen grotendeels zelf beslissen wat ze met het geld doen. “In de jaren vijftig droegen jongeren al het geld dat ze verdienden af aan hun ouders. Tegenwoordig beslist 77 procent zelf wat ze met hun geld doen. Ook krijgen ze naast hun bijbaantje nog zakgeld, waardoor de paradoxale situatie ontstaat dat kinderen op jonge leeftijd soms een groter vrij besteedbaar inkomen hebben dan hun ouders.”

Jongeren kunnen gemiddeld 248 gulden per maand besteden. Meisjes beschikken over minder geld dan jongens, deels doordat zij gemiddeld twee uur per week minder werken. Het geld dat scholieren met bijklussen verdienen besteden zij vooral aan vakantie, kleding en audio-apparatuur. Opvallend is de stijging met 60 procent van het geld dat aan gokken wordt uitgegeven. Gemiddeld vergokken scholieren nu 61 gulden per maand.

Cultuurpsycholoog T. ter Bogt meent dat jongeren zich steeds meer overgeven aan "consumentisme'. “Jongeren zijn erg gevoelig voor mode-grillen. Zij drukken hun identiteit uit in uiterlijkheden zoals kleren, haardracht, brommers en later een auto.” Hij signaleert dat in de jaren zestig jongeren zich juist sterk afzetten tegen het materialisme van volwassenen. “Tegenwoordig zie je dat niet meer. Jongeren kunnen het veel beter vinden met hun ouders. Van een generatiekloof is nauwelijks nog sprake.”

Sinds twee jaar wordt er gewerkt aan nieuwe wetgeving over arbeid van kinderen en jeugdigen, ter vervanging van de jongerenparagraaf uit de Arbeidswet van 1919. Het ministerie van sociale zaken heeft voorgesteld de wet te verruimen, zodat lichte arbeid door dertien tot vijftien-jarigen mogelijk wordt. In schooltijd zou voor hen een maximum van 12 uur per week en 2 uur per dag moeten gelden. Tijdens de vakantieperiode zou maximaal vier weken arbeid moeten worden toegestaan.

Deze voorstellen liggen nu bij de Sociaal Economische Raad, die dit voorjaar advies uitbrengt. Het definitieve wetsvoorstel wordt niet voor volgend jaar verwacht.

“Dit is geen positieve ontwikkeling”, meent B. Schnoor, beleidsmedewerker van de CNV-jongerenorganisatie. “De huidige wetgeving over arbeidstijden moet niet worden verruimd, want de overheid heeft juist als taak kinderen te beschermen. Jongeren zijn kwetsbaarder dan volwassenen, mentaal en fysiek. Bovendien, als scholieren een bijbaantje hebben, gaat dat ten koste van hun schoolprestaties.”

Branka, die deze week haar tweede schoolonderzoek-periode heeft, zegt stellig dat zij er wel voor zorgt dat haar bijbaantje haar schoolprestaties niet in de weg staat. “School gaat voor, dan werk, dan uitgaan”, luidt haar prioriteitenlijstje.