Oost-Europa perspectieven

Oost-Europa gaat op grote schaal over van een commando-economie naar een vrije-markteconomie. Dit proces gaat gepaard met heftige veranderingen. De belangrijkste zijn: 1. Democratisering van het politieke bestel. 2. Sterk opkomende nationalistische tendenzen. 3. Wegvallen van traditionele markten. 4. Commercialisering van bedrijven en 5. Massaal opkopen van Oost-europese ondernemingen door Westerse - vooral Duitse - ondernemingen.

Voordat wij Oosteuropese ontwikkelingen nader beschouwen moet worden vastgesteld dat Oost-Duitsland niet meer kan worden gerekend tot Oost-Europa. Duitsland heeft in 1991 via de overheid alleen al een bedrag van circa 180 miljard gulden in de "Neue Länder' geïnvesteerd. Als Duitsland dit tempo enigszins kan volhouden ontstaat rondom Berlijn het moderne hart van Europa. Lukt dit niet dan trekt Duitsland de EG-landen mee in een recessie. Ik denk dat Duitsland het met grote inspanningen zal halen. Nederland zal hier dan sterk van profiteren. Daarmee kunnen wij terugkeren tot ons eigenlijke thema: Oost-Europa.

De democratisering in Oost-Europa verloopt uiterst moeizaam, zoals te verwachten is met landen waarvan sommige nog nooit een democratie hebben gekend. Er zijn twee hoofdontwikkelingen, te weten: daar waar de oude communistische partij onder andere naam (nog) blijft domineren, zoals bij voorbeeld in Roemenië. En daar waar er een moeilijk bestuurbare situatie ontstaat, doordat er geen nieuwe sterke partij ontstaat, maar vele kleine partijen, zoals bij voorbeeld in Polen. Gevreesd moet worden dat in de meeste landen onstabiele situaties zullen ontstaan die het beste te vergelijken zijn met Portugal, dat na de Anjerrevolutie ruim tien jaar de ene kabinetswisseling na de andere had.

Analoog hieraan kunnen sterke mannen als Jeltsin, Walesa en zelfs Havel daarbij snel vallen als zij er niet in slagen hun volk tevreden te stellen, waarna er nieuwe leiders zullen aantreden, die wellicht evenmin iets op korte termijn kunnen bereiken. Sterk opkomend nationalisme kan men scheiden in twee hoofdstromingen, te weten: een Centrale en een Oostblok-oriëntatie. Hierbij zal voorlopig een voortgaand beeld ontstaan van steeds kleinere naties.

Het wegvallen van vooral de markten van de voormalige USSR-landen is vooral voor de landen van het vroegere Comecon verschrikkelijk. In Tsjechoslowakije zijn er bedrijven die hierdoor meer dan vijftig procent van hun afzet in één jaar zijn kwijtgeraakt. Weliswaar hebben Tsjechoslowakije, Polen en Hongarije inmiddels handelsverdragen met de EG, maar hiermee hebben wij nog geen daadwerkelijke hulp geboden.

Duitsland investeert - ook hier - op substantiële schaal. In de periode januari '90 tot en met juli '91 was dit circa veertig miljard gulden. Japan en de USA - elk met circa tien miljard gulden - doen ook enigszins mee. Samen waren deze drie landen goed voor bijna vijftig procent van de hulp aan Oost-Europa. Nederland heeft overeenkomstig z'n omvang met tweehonderd miljoen gulden hulp een bescheiden inbreng.

Commercialisering van bedrijven wordt in vele Oosteuropese landen met de mond krachtig beleden. Er is echter geen marketingkennis, wel enige verkoopkennis. Zelfs in het land dat zich volgens de Wereldbank en het IMF het best aanpast,Tsjechoslowakije, hebben vele bedrijven nog nooit een klant gezien. Dat was niet gewenst in een planeconomie. Zolang als men met het oude - door communisten benoemde - kader blijft zitten dat niet wordt vervangen door nieuwe geschoolde mensen zal er van een slagvaardig marktbeleid weinig terecht komen.

Tenslotte zijn er dan inmiddels vele koopjesjagers uit het Westen die geïnteresseerd zijn om een onderneming voor een appel en een ei te verwerven. Hierbij zijn ook een toenemend aantal Nederlandse bedrijven te signaleren vooral in Tsjechoslowakije, Polen en Hongarije. De enige mammoet-transactie die tot nu toe is gerealiseerd is de overname van Skoda door Volkswagen.

De meeste ondernemingen in het Oosten staan weerloos tegenover onze overvaltechnieken. Zij zijn geneigd in ruil voor zekerheid alles prijs te geven. De motivatie is echter vooral behoud van werk. In wezen willen de meeste echter gaarne zelfstandig blijven. Daarbij stellen de meeste Oosteuropese landen zich om historische redenen zowel anti-Russisch als anti-Duits op.

Er zijn dus grote kansen voor een land als Nederland dat minder bedreigend overkomt. Om over beter kader te kunnen beschikken is er gigantische behoefte aan opleidingen in Oost-Europa. Wij hebben zelf mogen participeren in programma's die via het NCW waren opgezet in Tsjechoslowakije en Roemenië. Actief zijn verder o.a. de Erasmus Universiteit en grote bureaus als Berenschot en Coopers & Lybrand.

Wij hebben ervaren dat in Tsjechoslowakije - zowel in Praag als in Bratislava - de omstandigheden nog redelijk zijn. Tenminste als men let op het opleidingsniveau van managers, technische ervaring, kennis en infrastructuur. In Roemenië ontbreekt het aan vrijwel iedere fundamentele voorziening. De dankbaarheid van onze cursisten in beide landen die een tweewekelijks programma aangeboden kregen, was groot en vaak roerend. Alleen, de meeste managers werken nog bij staatsbedrijven en zij lopen grote kans om door hun conservatieve bazen te worden ontslagen als zij zich te veel door onze "nieuwlichterij' laten inspireren.

Nederland heeft vele kansen om via opleidingen goede netwerken op te bouwen. Alleen doen wij dit op typisch Nederlandse wijze met bescheiden middelen. Er worden te weinig fondsen per project ter beschikking gesteld. Op dit punt waren de Duitse en Engelse collega's die wij vooral in Praag mochten ontmoeten duidelijk in het voordeel. Maar het NCW doet tenminste iets, het VNO heeft wel enkele samenwerkingsovereenkomsten getekend maar exponeert zich verder niet. Alleen een gecoördineerde actie van bedrijfsleven èn overheid zou het mogelijk maken onze maatschappelijke plicht te vervullen en er op lange termijn zelfs beter van te worden.