ONZE TAAL

Liesbeth Koenen recenseert in het Zaterdags Bijvoegsel van 4 januari twee boeken van het Genootschap Onze Taal, maar wordt in haar bespreking zó gehinderd door haar vooroordelen, dat een redelijke beoordeling van het werk van dat genootschap niet mogelijk blijkt. Omdat Koenen de genoemde boeken helemaal niet bespreekt, zal ik dat ook niet doen. Zij bespreekt vooral de activiteiten (het maandblad en de Taaladviesdienst) van het genootschap. Een reactie daarop mag niet uitblijven.

Koenen ""slaat nummers van het tijdschrift Onze Taal open'' maar leest die niet. Dat het blad sinds 1978 wezenlijk veranderd is, is aan haar voorbijgegaan. Inmiddels bestaat driekwart van de inhoud uit populair-wetenschappelijke artikelen die informeren en voorlichten over àlles wat met de Nederlandse taal te maken heeft. Koenen houdt liever vast aan het achterhaalde beeld van Onze Taal als forum van germanismen- en anglicismenjagers: Onze Taal uit de jaren dertig en veertig. Had het tijdschrift daaraan vastgehouden, dan was het stellig van de markt verdwenen. Dan zou het ook niet duizenden jonge lezers trekken, die inderdaad, om met Koenen te spreken, niet weten dat bepaalde woorden ""germanismen genoemd werden''. Zij kopen en lezen Onze Taal dus om een andere reden. Veranderingen in het blad in de jaren tachtig gingen zelfs gepaard met tientallen opzeggingen, juist doordat Onze Taal ophield schoolmeestertje te spelen en onder redacteur Jan Renkema de aandacht verlegde naar wetenschapsvoorlichting en informatie over taalgebruik.

Koenen gaat ook geheel voorbij aan het emotionele karakter van taalgebruik en de normatieve instelling van taalgebruikers. Juist de niet-taalkundigen hebben daar belangstelling voor. Met wetenschappelijke arrogantie negeert Koenen de normatieve taalproblemen van leken, die zij zo gemakkelijk typeert als ""bange taalgebruikers''. Met die instelling kàn zij ook geen waardering en zelfs geen aandacht opbrengen voor het werk van een organisatie die de problemen van de leek èn de taalkunde serieus neemt. Die positie leidt tot duizenden verzoeken om taaladvies per jaar, van leken die zich met hun problemen richten tot taalkundigen. Maar aan die problemen heeft een theoretisch-taalkundige als Koenen geen boodschap.

NRC-lezers vormen de grootste groep leden van Onze Taal, stelt Koenen vast in haar bespreking. Die lezers weten dus beter als zij zich een oordeel moeten vormen over het blad Onze Taal en het werk van dit genootschap. Voor de overige lezers van deze krant is het te betreuren dat zij door een zó sterk bevooroordeeld schrijfster zijn ingelicht. NRC Handelsblad heeft zijn lezers geen dienst bewezen door hun een dergelijke van gif en subjectiviteit doortrokken bespreking voor te schotelen. Naschrift Liesbeth Koenen

Onze Taal! Zestig jaar strijd etc. ging over de activiteiten van het genootschap, mijn recensie dus ook.

Natuurlijk moeten de gevoelens en de behoefte aan normen van veel Nederlanders serieus genomen worden. Maar Onze Taal doet dat niet. In plaats van misverstanden (zoals dat er ergens onaantastbare taalnormen te vinden zouden zijn) recht te zetten, biedt het genootschap schijnzekerheid. En de medewerkers geven dat openlijk toe. Ik citeer opnieuw de redacteuren: "".. er (is) geen uiteindelijk houvast in de discussies over goed en fout taalgebruik.'' en: ""De Taaladviesdienst gebruikt de statistische norm wel, maar meestal niet openlijk..'' Het volk wordt dus niet serieus genomen, maar bewust dom gehouden.

Het is typerend dat de directeur van Onze Taal in zijn brief helemaal voorbijgaat aan deze kritiek. Het is ook een pijnlijk punt natuurlijk. Overigens vergeet hij ook om te vertellen wélke vooroordelen ik erop nahoud. En waaruit bestaat dat gif waarvan mijn bespreking doortrokken was?

Over het voorlichtend gehalte van het blad Onze Taal verschillen wij van mening. Al Renkema's goede bedoelingen ten spijt is Onze Taal nooit de Natuur & Techniek over taal geworden die hem voor ogen stond. Dat Smulders meent dat dat wel het geval is tekent alleen de zelfgenoegzaamheid van het genootschap.