Onderzoeksgegevens over minderheden zelden positief

ROTTERDAM, 18 JAN. Wie worden in Nederland officieel als "minderheden' aangeduid? Het ministerie van binnenlandse zaken hanteert de volgende lijst: Turken, Marokkanen, overige Noordafrikanen, Kaapverdianen, Zuideuropeanen, Surinamers, Antillianen en Arubanen, Molukkers, vluchtelingen en asielgerechtigden.

Hun achterstandspositie in de Nederlandse maatschappij is de gemene deler van deze groepen.

Helemaal consequent is de lijst niet. Pakistanen en Vietnamezen, ook gegroeid naar een behoorlijk aantal in Nederland en als groep bepaald niet welvarend, staan niet op de lijst. Evenmin als Chinezen, van wie er zo'n 36.000 inNederland leven.

Uitgebreid gerapporteerd over de minderheden wordt in het Statistisch vademecum "Minderheden in Nederland' dat jaarlijks verschijnt onder auspiciën van het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek in Rotterdam en het Centraal Bureau voor de Statistiek in Voorburg. Daarnaast verrichten verschillende instituten en bureaus onderzoek naar alle mogelijke aspecten van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Behalve op de al genoemde instanties, doet de overheid regelmatig beroep op het Sociaal en Cultureel Planbureau in Rijswijk en op het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) in Den Haag.

Over het algemeen zijn het geen positieve cijfers die uit de rapporten naar voren komen. De minderheden hebben in vrijwel alle sectoren van de maatschappij een achterstand ten opzichte van de autochtonen.

Hoewel er verschillende werkloosheidscijfers in Nederland circuleren, is steeds ongeveer een vier keer zo groot deel van de allochtone beroepsbevolking werkloos. Overigens met de aantekening dat er verschil is tussen de verschillende allochtone groepen. Surinamers en Antillianen bewegen zich makkelijker op de arbeidsmarkt dan bijvoorbeeld Turken en Marokkanen.

Dat verschil uit zich ook in de kwaliteit van het werk, zo blijkt uit een steekproef naar het verband tussen het functieniveau en etnische achtergrond.Uit dat onderzoek, gepresenteerd in het statistisch vademecum van 1989, blijkt dat 79 procent van de Turkse mannen eenvoudig of zeer eenvoudig werk verricht. Daartegenover staan bijvoorbeeld de Surinaamse mannen, van wie 30 procent soortgelijk werk doet. Voor autochtone Nederlanders ligt dat percentage op dertien.

Dergelijke negatieve aspecten van de aanwezigheid van de allochtonen in Nederland hebben het klimaat van de discussie over minderheden enigszins gewijzigd. Die verandering is ook in de onderzoeksbranche voelbaar. Er is nog maar weinig waar de onderzoekers niet mee aan kunnen komen. Vroeger waren resultaten die de allochtonen teveel zouden stigmatiseren, niet echt welkom bij de beleidsmakers. Zo is het CBS sinds het begin van de jaren tachtig opgehouden met het bijhouden van etnische achtergrond en nationaliteit in de criminele statistieken.

Toch suggereren bepaalde onderzoeken wel een verband tussen criminaliteit en etnische achtergrond. Uit een rapport van M. Junger, verbonden aan het WODC, uit 1990 blijkt dat van de Marokkaanse jongens tussen de twaalf en zeventien jaar 34 procent ooit in aanraking is gekomen met de Nederlandse politie. Bij Turkse jongens ligt dat cijfer op 22 procent, bij Surinamers op 23 procent, bij autochtone Nederlanders op 15 procent. Het onderzoek is gedaan bij jongens uit een en dezelfde buurt, dus met min of meer dezelfde sociale achtergrond.

De grafieken die op deze pagina worden gepresenteerd, zijn gebaseerd op cijfermateriaal uit het jaarlijkse rapport "Migration, Minorities and Policy in the Netherlands' door Ph.J. Muus, verbonden aan het instituut voor sociale geografie van de Universiteit van Amsterdam. En op cijfers uit het statistisch vademecum van 1991, geschreven door drs. T. Ankersmit, drs. Th. Roelandt en drs. J. Veenman.