Nederlandse rol in EG stelt Israel teleur

JERUZALEM, 18 JAN. Er zijn een paar vlekjes gekomen op het zo blanke blazoen van de Nederlands-Israelische relaties. De directe oorzaak is de redevoering die minister Van den Broek op 30 oktober als EG-voorzitter hield tijdens de openingsbijeenkomst van de Midden-Oosten vredesonderhandelingen in Madrid. Daarachter zit, van Israelische zijde, enige teleurstelling over het feit dat het EG-land waarmee Israel zich het meest verwant voelt toch minder invloed in de Europese Gemeenschap heeft dan men eigenlijk had gehoopt, zeker tijdens het Nederlandse voorzitterschap.

Niet dat minister Van den Broek gisteren en donderdag met minder dan de normale égards werd behandeld in Jeruzalem en Tel Aviv: zijn collega Levy kwam voor het gesprek zelfs vervroegd terug uit Portugal, premier Shamir vond temidden van een ernstige politieke crisis nog bijna een uur ruimte en minister van defensie, Arens, liet vrijdagmiddag zijn helikopter geruime tijd wachten, ondanks het feit dat hij een hachelijke missie had te vervullen in de bezette gebieden, namelijk het terugsturen van een groep orthodoxe Joodse kolonisten. Arens moest, om een religieuze rel te voorkomen, ingrijpen voordat de sabbath inging, om 16.22 uur.

Nederlandse diplomaten in Israel hebben direct na Van den Broeks rede in Madrid een tijdlang een koelere houding aan Israelische zijde bespeurd; enkelen werden even duchtig toegesproken door vertegenwoordigers van de regering. Inmiddels is die bui overgewaaid, maar Israelische diplomaten ventileren in gesprekken geheel ongevraagd “teleurstelling” over de houding van Nederland binnen de EG. “Zou Nederland nu echt niet meer kunnen doen in het besluitvormingsproces binnen Europa? Wij geloven van wel”, aldus een hoge Israelische functionaris.

Over de bezwaren die in Israel bestaan tegen de rede van Van den Broek in Madrid is duidelijk overleg gevoerd, want verschillende functionarissen geven onafhankelijk van elkaar in vrijwel dezelfde volgorde een opsomming: de overduidelijke keuze in de rede voor het principe van "land voor vrede', het op geen enkele wijze uitzonderen van Jeruzalem als het om teruggave van de bezette gebieden gaat en het op één lijn stellen van het opgeven van het nederzettingenbeleid door Israel aan de ene zijde en het staken van de Arabische economische boycot van Israel aan de andere kant.

“Op zichzelf waren die standpunten van de Europese Gemeenschap niet nieuw, maar waarom moesten ze nu zo duidelijk tijdens die openingsbijeenkomst worden genoemd”, vroeg een hoge Israelische functionaris zich af. “Minister Baker en zijn Russische collega Pankin, die ongeveer dezelfde mening hebben, hebben dat toch ook niet gedaan. Moskou en Washington zeiden "good luck', Europa zei dat ook wel, maar voegde er snel aan toe: jullie moeten wel de genoemde punten regelen zoals wij het willen.”

Van premier Shamir is bekend, dat hij na afloop van de rede zei: “Als dit de houding van Europa is, ben ik blij dat we ze tot nu toe buiten het vredesproces hebben weten te houden.” De Israelische regering was ook pas na grote druk van minister Baker akkoord gegaan met een rol voor de EG in de onderhandelingen. Niet alleen Shamirs rechtse regering was daar tegen. Ook de socialistische leider Peres had zich geregeld ondubbelzinnig tegen deelname van de EG aan het vredesproces gekeerd.

Deze anti-Europa houding is in een overblijfsel van de Camp David onderhandelingen in 1978/79 tussen Israel, Egypte en de Verenigde Staten. De EG stond toen buitenspel. Frankrijk en Engeland - daarin niet gesteund door Nederland - hebben destijds deze onderhandelingen trachten te frusteren door de aankondiging van een eigen, Europees vredesinitiatief, een idee dat van harte werd gesteund in de Arabische wereld buiten Egypte.

Naast de houding in Madrid bestaat er inmiddels in Jeruzalem ook onbehagen over de Nederlandse opstelling ten aanzien van economische steun door de EG. De Italiaanse minister van buitenlandse zaken, De Michelis, heeft vorig jaar mei tijdens een overleg van de EG-trojka met premier Shamir in Parijs, waaraan ook Van den Broek en de Luxemburgse minister Poos deelnamen, het idee geopperd Israel toe te laten tot de zogenaamde Europese Economische Ruimte, het vrijhandelsgebied van EG en EFTA-landen. Van Israelische zijde werd daar enthousiast op gereageerd, omdat hen dit feitelijk zou aansluiten op de economische structuur van de gehele geïndustrialiseerde Europese regio.

Naderhand, tijdens een bezoek aan Shamir in Jeruzalem, heeft De Michelis dit plan herhaald en daarmee verwachtingen gewekt bij zijn gastheren. Binnen de kring van de twaalf EG-landen had het idee echter geen schijn van kans. Frankrijk, Engeland en ook de Europese Commissie in Brussel waren er radicaal tegen en ook Nederland vindt het geen goed idee. Volgens BZ in Den Haag zou men dan ook landen als Marokko en Tunesië toegang tot deze EER niet kunnen onthouden. Daarnaast is het in de opvattingen van Den Haag verkeerd om midden in het vredesproces ineens één land speciale rechten te geven en is het bovendien de bedoeling dat aan het einde van het vredesproces Israel en de Arabische landen economisch met elkaar gaan samenwerken.

In Jeruzalem heeft men zich verwonderd over deze Nederlandse argumentatie, temeer daar de indruk was ontstaan dat Nederland het idee wel zou ondersteunen. Nederlandse diplomaten verklaren dat als "wishful thinking' van Israelische zijde. “Wellicht heeft de Italiaanse minister het gesuggereerd, in de veronderstelling dat Nederland alles steunt dat ten voordele van Israel is.”

De economische samenwerking tussen de EG en Israel is tijdens Van den Broeks gesprekken in Jeruzalem en Tel Aviv deze week zijdelings aan de orde geweest. Nederland heeft er geen bezwaar tegen dat de invoer in de EG van hoogwaardig technologische producten uit Israel, waarin know how uit derde landen is gebruikt, wordt vergemakkelijkt. Nederland is ook voorstander van een nauwere aansluiting van Israel bij de technologische samenwerking in Europa. Het is echter de vraag of deze privileges voor Israel in de komende Associatieraad (van ministers) EG-Israel in mei door de andere partners wordt geaccepteerd, gezien het Israelische nederzettingenbeleid.

Nederland, althans het ministerie van Buitenlandse Zaken, wil die consequentie niet trekken. Maar ook Van den Broek heeft de afgelopen dagen in Israel met kracht gewezen op wat hij “het beleid van voldongen feiten” noemt, waarbij Israel midden in de onderhandelingen over de toekomst van de bezette gebieden in feite die toekomst vastlegt door er steeds meer kolonisten naar toe te sturen.

Die duidelijk ook in Damascus en Amman door Van den Broek geventileerde opvatting heeft niet onmiddellijk een negatieve invloed op de verhouding met Jeruzalem, maar zeker ook geen positieve. De relatie Israel-EG blijft traditioneel instabiel en het jarenlange wantrouwen van Israel tegenover de EG is door "Madrid' zeker niet verminderd. Enige spin-off daarvan op de relatie met Nederland is daarbij niet over het hoofd te zien.