MAD EN MAF

From Aargh! to Zap! Harvey Kurtzman's Visual History of the Comics door Harvey Kurtzman en Michael Barrier 96 blz., geïll., Prentice Hall Press 1991, f 59,50 ISBN 0 13 363680 1

Completely Mad. A History of the Comic Book and Magazine door Maria Reidelbach 208 blz., geïll., Little, Brown & Co 1991, f 97,75 ISBN 0 316 73890 5

"Dit is een nieuw tijdschrift, van vitaal belang voor u om te lezen', stond er in juli 1955 met vette zwarte letters op het omslag van het eerste nummer van het tijdschrift Mad. En: ""Op de volgende pagina vindt u een extreem belangrijke mededeling van de uitgevers.' Wie omsloeg, zag enkele geknielde, bibberende mannen in pak, de handen smekend gevouwen en met zweet op het voorhoofd. De uitgevers. Hun extreem belangrijke mededeling: ""Alstublieft, koop dit blad!'

Dit visitekaartje zette de toon voor het tijdschrift, dat vrijwel direct een stormachtig succes kende. Met als handelsmerk sick jokes, maffe scholierenhumor en hilarische persiflages van populaire televisieseries, films en strips, groeide Mad uit tot een Amerikaans fenomeen. Het tijdschrift kent nu vele internationale edities, waaronder een Nederlandse.

Toch had Mad artistiek gezien al de beste tijd gehad, toen het in 1955 voor het eerst op tijdschrift-formaat verscheen. Daaraan voorafgaand had het blad drie jaargangen gedraaid als "comic book', met een kleiner formaat en louter gevuld met stripverhalen. Het waren de topjaren van Harvey Kurtzman, de tekenaar en humorist die de formule van het satirische blad bedacht voor Entertaining Comics (EC), uitgever van oorlogs-, horror-en misdaadstrips.

Kurtzman was scenarist van moralistische oorlogsstrips maar vond in Mad een uitlaatlep voor zijn Marx Brothers-achtige gevoel voor humor. De 23 afleveringen die onder Kurtzmans regie verschenen, met kostelijke persiflages op striphelden als Superman ("Superduperman") worden nog altijd beschouwd als een hoogtepunt in de Amerikaanse stripgeschiedenis. Kurtzman verliet Mad in 1956, een jaar nadat het op zijn aanraden was herschapen in een fraai gedrukt en voor die tijd prijzig tijdschrift (25 dollarcent in plaats van 10 voor het stripboek).

Die transformatie was niet alleen ingegeven door artistieke overwegingen, maar ook een gevolg van de kaalslag die halverwege de jaren vijftig in de Amerikaanse stripwereld plaatshad. Van de honderden titels die aan het begin van dat decennium verschenen, waren er ten slotte nog maar enkele over. Dat had economische oorzaken - overproduktie, logge distributie, te scherpe concurrentie - maar de publieke opinie speelde ook een rol. Die toonde zich verontrust over de bloederige gruwel- en misdaadbladen die de markt overspoelden. Het kwam zelfs zover dat de Senaat uitgevers van stripbladen uitnodigde om in openbare hoorzittingen hun produkten te verdedigen.

Onder zoveel druk stelden de uitgevers in 1954 een "Comics Code' op, een pakket strenge regels waaraan strips moesten voldoen (geen naakt, "beschaafd' geweld, geen "happy end' voor misdadigers). Dat betekende het einde van vele stripbladen. EC brak wel met de Code, maar het mocht niet baten. De verkoop liep drastisch terug en uiteindelijk gingen alle titels over de kop. Behalve Mad, dat zich als tijdschrift van de stripmarkt wist te verwijderen.

In zijn plaatwerk From Aargh! to Zap! gaat veteraan Harvey Kurtzman uitgebreid in op deze cruciale periode in de geschiedenis van het Amerikaanse beeldverhaal, waarin hij zelf zo'n grote rol speelde. Zijn tekst is gelardeerd met prachtige illustraties uit de periode: kleurencovers en titelpagina's van EC-bladen, Kurtzman's eigen Mad-covers, en integrale herdrukken van enkele klassieke verhalen.

De jaren vijftig vormen het hart van Kurtzmans boek, maar hij besteedt ook aandacht aan geschiedenis van het stripverhaal van de introductie van het "comic book' in de jaren dertig tot de "underground' van de jaren zestig en de steeds extravagantere produkties van de afgelopen jaren. Opvallend is de enorme invloed van technieken uit film en videoclip sinds de jaren zestig. Veel recente strips zijn nauwelijks nog "beeldverhalen', maar eerder exuberante grafische experimenten.

Zo sprankelend als Kurtzmans plaatwerk, zo pretentieus oogt Maria Reidelbachs kroniek Completely Mad, waarin de geschiedenis van het blad minutieus wordt uiteengezet. En zo bescheiden als Kurtzman zich opstelt, en vooral de illustraties te laten spreken, zo breedsprakig is Reidelbach. Geen detail uit de historie van het blad is haar onbekend, geen gimmick blijft de lezer bespaard. Dat maakt haar boek in alle opzichten loodzwaar. Hier is duidelijk een "hard core' fan aan het woord in plaats van een tekenaar / scenarist die het bedrijf van binnenuit benadert. Door de devote benadering lijkt de losbollige humor van Mad ook opeens minder grappig. Hoewel Alfred E. Neuman, het maffe typetje dat Mad sinds jaren personifieert ("What? Me Worry?') de ironie van prachtband en glimmend papier voor zijn studentikoze ongein ongetwijfeld zal kunnen waarderen.