Loonkostensubsidie leidt niet tot veel extra banen

DEN HAAG, 18 JAN. Oude koek, oordeelde CDA-minister Bert de Vries van sociale zaken over het rapport "Niemand aan de kant' van de commissie-Wolfson. Deze commissie adviseerde de Partij van de Arbeid over vernieuwing van het stelsel van sociale zekerheid. Het rapport zeilt om alle controversiële klippen heen en conserveert de traditionele sociaal-democratische waarden. De "vernieuwing' bestaat uit één credo: meer mensen aan de slag.

Eén van de methoden om de arbeidsparticipatie te verhogen zijn loonkostensubsidies waarbij werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten worden gestimuleerd tot scholing en werkervaring. Werkgevers moeten volgens Wolfson cum suis subsidies tot vijftig procent van de loonkosten kunnen krijgen als zij deze mensen aan werk helpen.

“De commissie verwacht dat die subsidies zichzelf terugverdienen”, zei De Vries in een reactie op het rapport. Eufemistisch voegde hij eraan toe: “We weten echter dat het effect van loonkostensubsidies niet groot is”. Volgens zijn ministerie bedroeg het geschatte aantal gesubsidieerde banen in 1990 bijna één procent van de totale werkgelegenheid.

Ook Wolfsons partijgenoot Flip de Kam plaatste kritische kanttekeningen bij dit instrument. Hij schreef dinsdag in deze krant: “Dit leidt tot hogere belastingen of een groter tekort, met alle schadelijke economische gevolgen vandien”. Volgens hem zien werkgevers hoog op tegen de “administratieve rompslomp” die samenhangt met het aanvragen van loonkostensubsidies.

Dat het effect van loonkostensubsidies gering is, werd vorig jaar bijvoorbeeld bevestigd door een toets van de zogeheten wet Vermeend-Moor. Op grond daarvan kunnen werkgevers sinds 1986 een premievrijstelling krijgen wanneer ze iemand aannemen die langer dan twee jaar werkloos is. Uit gesprekken met werkgevers bleek het ministerie van Sociale Zaken dat de regeling niet aansluit bij de behoefte. Ondernemers willen medewerkers die “goed inzetbaar en produktief” zijn. Die eisen stellen ze ook aan mensen die langdurig werkloos zijn. Bijna alle ondervraagden zeiden behoefte te hebben aan geschkt personeel en loonkostensubsidie van minder belang te achten. Een uitzondering is de detailhandel.

In 1990 gaf Sociale Zaken ruim 160 miljoen gulden uit aan de zogenoemde Kaderregeling Arbeidsinpassing (de Wet Vermeend-Moor maakt daarvan onderdeel uit). Bijna 19.000 mensen maakten gebruik van deze regeling.

Behalve de wet Vermeend-Moor bestaat er sinds 1 april 1990 de Wet Loonkostensubsidie op Minimumloonniveau (WLOM). Een werkgever krijgt voor elke minimumloner die hij aanneemt - of al in dienst heeft - een subsidie van ruim 3000 gulden per jaar (10 procent van de loonkosten).

De Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek en het Centraal Planbureau berekenden dat de WLOM slechts half zoveel werkgelegenheid schept als een "echte' verlaging van het bruto minimumloonloon. Het geld voor de loonkostensubsidies moet immers via een omweg toch weer door belastingbetalers worden opgebracht, waardoor de "wig' (het verschil tussen bruto en netto loon) groter wordt en de werkgelegenheid daalt.

De WLOM bevat daarnaast een "anti-promotie-prikkel'. Immers, wanneer een werkgever een werknemer meer wil betalen, dan kan hij zijn subsidie kwijt raken en stijgen de loonkosten explosief.

Minister De Vries heeft te kennen gegeven zo snel mogelijk af te willen van de loonkostensubsidies. Bij de huidige samenstelling van de werkloosheid lijken niet de loonkosten doorslaggevend, maar is de begeleiding naar de arbeidsmarkt - scholing en de aansluiting tussen vraag en aanbod - cruciaal.