Kostenexplosie treft gezondheidssector

In de laatste maanden van 1991 heeft zich volgens de particuliere ziektekostenverzekeraars in de gezondheidszorg een kostenexplosie voorgedaan. Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) bestrijdt dat. Maar afgaande op mededelingen van het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG) in Utrecht, dat de tarieven vaststelt, hebben de verzekeraars voor een belangrijk deel gelijk: er is wat de tarieven voor de ziekenhuishulp betreft sprake van een meer dan normaal inhaaleffect.

De tarieven voor de ziekenhuizen worden op een bijzonder gecompliceerde manier berekend. Het COTG bepaalt de budgetten van de instellingen aan de hand van een ingewikkelde formule waarin allerlei gegevens (aantal bedden, opnames, specialistenplaatsen, inwonertal, polikliniek-bezoeken, etcetera) een rol spelen. Uiteindelijk komen daar een toegestaan aantal verpleegdagen en een verpleegprijs per dag uit. Realiseren de ziekenhuizen nu in een bepaald jaar minder verpleegdagen dan waarop het tarief is berekend - iets dat de laatste jaren steeds vaker voorkomt doordat patiënten eerder worden ontslagen, er meer poliklinische hulp wordt gegeven e.d. - dan komen de ziekenhuizen, die hun uitgaven op het budget afstemmen, geld tekort. Dit verschil mag in een volgend jaar worden verrekend in de tarieven.

Er is altijd een zeker naijl-effect. 1991 Was wat dat betreft wel een bijzonder jaar, geeft een woordvoerder van het COTG toe. Een aantal achterstanden is tegelijkertijd weggewerkt. Daarmee is in totaal anderhalf miljard gulden gemoeid. Terwijl de budgetten van de ziekenhuizen van '89 (toen ze in totaal circa 11,5 miljard gulden bedroegen) op '90 en van '90 op '9l telkens met zes procent toenamen, liepen de tariefopbrengsten (zeg maar de omzetten) daarmee volstrekt uit de pas. Die omzet daalde van '89 op '90 met één procent maar is in '91 ten opzichte van '90 met maar liefst zeventien procent gestegen.

De ziekenhuistarieven vormen één van de voornaamste kostenposten voor de particuliere verzekeraars. Het KLOZ, de koepel van de particuliere ziektekostenverzekeraars, gaat inmiddels uit van een totale kostenstijging in de volksgezondheid van tenminste tien procent in '91 en raamt voor '92 nog eens een stijging van vijf procent. Staatssecretaris Simons houdt het op een kostenstijging in '91 van 7,5 procent. Maar een deel van die stijging zouden de particuliere ziektekostenverzekeraars in zijn ogen niet meer mogen doorberekenen. Dat had al gebeurd moeten zijn, beweert hij. Simons zegt dat er sprake is van “tijdelijke tariefstijgingen voor ziekenhuizen” als gevolg van minder gerealiseerde verpleegdagen. Letterlijk schreef hij aan de verzekeraars: “Daardoor zijn in voorgaande jaren de ziekenhuisbudgetten niet volledig uitgekeerd, hoewel daarmee in de premiestelling wel rekening zou moeten zijn gehouden.”

Hier ligt één kern van de misverstanden tussen de staatssecretaris en de ziektekostenverzekeraars. De laatsten baseren hun premies niet op de vastgestelde budgetten maar op de werkelijk geleden schade (de kosten die ze echt op declaratie moeten betalen). De ziektekostenverzekeraars bestrijden dat er bij het inhaaleffect voor de tarieven sprake is van tijdelijkheid.

Het voornaamste andere twistpunt tussen Simons en de verzekeraars betreft de zogenoemde WTZ-premies, zeg maar de bejaardenverzekering. Simons redeneert dat het geheel van premie en omslagbijdrage (de zogenoemde pooling) deze polissen voor de verzekeraars kostendekkend maakt. Door het onderbrengen van groepen verzekerden onder de WTZ-regeling zou op de andere (normale) maatschappijpolissen een beperking van de schade-uitkeringen zijn opgetreden. En daardoor zouden de premies van die normale polissen omlaag kunnen. De staatssecretaris schat die schade-beperking in '91 op circa dertig procent, de verzekeraars houden het op 11,5 procent.

De deskundigen mogen het uitzoeken.