"Ik voelde me alsof de Stasi mijn hersens leegzoog'; Een zelfbekentenis

Sinds 1 januari heeft elke Oostduitse(r) wettelijk het recht op inzage van de dossiers die de in de vroegere DDR alomtegenwoordige staatsveiligheidsdienst (Stasi) over haar of hem had aangelegd. Na alles wat er sinds de Wende van eind '89 al aan vermoedens, wederzijdse beschuldigingen en al dan niet opzettelijke lekkages uit Stasi-dossiers is geweest, komt nu uit de geschreven erfenis van de Stasi-Krake een lawine van ellende los. Vaders bespioneerden zoons, vrienden hun vrienden, mannen hun vrouw, schrijvers andere schrijvers.

Vorig najaar beschuldigde Liedermacher Wolf Biermann schrijver/dichter Sacha Arschloch Anderson ervan dat hij jarenlang vrienden in de literair-artistieke kring van de sombere Oostberlijnse stadswijk Prenzlauer Berg voor de Stasi had bespioneerd. Anderson, die in '85 naar West-Berlijn vertrok (waar hij voor de Stasi actief bleef) heeft na vele ontkenningen inmiddels moeten toegeven dat hij "informeel medewerker' (IM) van de Stasi was. Tegen hem loopt sinds vorige week een gerechtelijk vooronderzoek. Als "literarischer Kopf' èn als Stasi-spion in de wijk Prenzlauer Berg was de nu 35-jarige Rainer Schedlinski een van Andersons opvolgers. Hij deed deze week, in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, de eerste grote openbare zelfbekentenis. De laatste dagen hebben mijn vrienden mij zeer vaak gevraagd waarom ik mij tot op heden niet in het volle daglicht heb gewaagd. Op die vraag heb ik nog steeds geen antwoord, althans geen snel antwoord. Ik dwing mij nu, tegen alle inwendige weerstand in, hier voor het eerst eenvoudig op te schrijven wat er is gebeurd. Ik zal proberen dat in alle eerlijkheid te doen, en zoiets levert natuurlijk geen literaire tekst op.

Het eerste contact met de Stasi had ik in 1974, toen ik zeventien jaar was. Ik maakte kennis met een kelner, die wegens een vechtpartij was veroordeeld en kort daarna gevangenisstraf moest ondergaan. Hij maakte mij enthousiast voor het idee samen naar het Westen te vluchten. Wij reden naar het grensgebied om de omgeving te verkennen. Een dag later werden we gepakt. Hij ging vervroegd de gevangenis in en ik werd verhoord, eerst tamelijk hardhandig, daarna wat vriendelijker. Nadat ik tweemaal 48 uur was vastgehouden, werd ik naar een merkwaardig ingerichte woning gebracht. Daar werd ik ondervraagd, niet zozeer over mijn plan om te vluchten, maar vooral over mijn broer. Ik schreef toen een verklaring waarin ik mij verplichtte samen te werken met de Staatssicherheit. Ik was blij dat ik er zo schappelijk van af was gekomen.

Mijn broer was bij de autoriteiten al lang bekend. Hij was in 1972 of 1973 na zeven zittingen op verdenking van spionage uit zijn detentie vrijgekocht en over de Westgrens gezet. Van daar was hij verschillende keren illegaal de DDR binnengereisd om, onder mij onbekende omstandigheden, zijn vrouw te ontmoeten. Zij mocht het land niet uit. Pas nadat hij had gedreigd een bom te plaatsen op een in de haven van Hamburg liggend DDR-schip lukte het hem haar reis naar het buitenland af te dwingen. Een of twee jaar later - ik had sindsdien niets meer van de Stasi gehoord - vond ik in de brievenbus van mijn eerste eigen woning in Magdeburg een anonieme brief. Daarin stond het verzoek een in dezelfde envelop gestoken tweede brief vooral niet te lezen, maar die naar een bepaald adres te brengen. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en las die brief toch.

De geadresseerde moest zich, zo stond er, rustig gedragen, men hield zich met zijn zaak bezig en over een half jaar zou men elkaar in het Westen terugzien. De brief was in het Westduitse Neuss afgestempeld. Daar woonde mijn broer en ik vermoedde natuurlijk dat het ging om hulp bij een vlucht over de grens. Ik bracht de brief naar het opgegeven adres, erop hopend zo zelf op een bepaald ogenblik naar het Westen te kunnen uitwijken en vertrouwde erop dat mijn broer mij kon helpen. De brief uit Neuss was - tegenwoordig werkt dat ontzettend eenvoudig - normaal met de post gestuurd. Korte tijd later werd ik gearresteerd en in de daaropvolgende weken werd ik om de twee, drie dagen voor verhoor voorgeleid. Men dreigde mij met tien jaar gevangenisstraf wegens het dienst doen als koerier voor een onderneming die zich met vluchtelingenzaken bezighield. Tijdens de verhoren gingen de bedreigingen, steeds vaker en steeds minder verhuld, vergezeld van een aansporing tot samenwerking.

Van de verhoren herinner ik mij weinig details en ik onthoud mij nu maar van een nadere schets van mijn psychische situatie, omdat men mij zal verwijten dat ik mij wil vrijpleiten. Men toonde mij het papier - dat waarin ik mij eerder, na mijn beoogde vlucht, tot samenwerking bereid had verklaard - en maakte mij duidelijk dat ik de gevangenis alleen kon ontlopen door opnieuw een verklaring af te leggen. Omdat ik per se weg wilde uit de verhoren en geloofde dat ik een verblijf in de gevangenis niet zou doorstaan, schreef ik die verklaring - die ik onlangs op de televisie terugzag. De inhoud ervan herinner ik mij niet meer, het was een soort mengeling van juridisch vermaan en een eed op de vlag. Ik weet alleen nog dat ik vooral bezig was mij psychisch staande te houden toen de officier achter mij de tekst dicteerde. Ik beefde, kon niet verder schrijven en vroeg hem of het niet ook mondeling kon.

De anonieme brief had ik naar een voormalige collega van mijn broer gebracht. Hij woonde een paar huizen verder en zijn voornaam luidde Gerhard. Ik had nu een schuilnaam nodig en men stelde mij voor die naam, Gerhard, maar meteen te gebruiken.

Nu ik mij tot medewerking had verbonden, werd ik vrijgelaten en in de volgende maanden meldde zich niemand van de Stasi. Pas in het jaar daarop kwam een van de officieren, die bij mijn verhoor aanwezig was geweest, twee of driemaal met een pakje koffie bij mij thuis en sprak volkomen vrijblijvend over de klassevijand en de arbeiders- en boerenstaat. Ik was niet langer bang te worden gearresteerd en die bezoeken nam ik niet helemaal serieus. Ik werkte toen als stoker in de Stadthalle van Magdeburg. Een vriend en collega vertelde mij dat hij ook iemand van de Stasi kende en dat hij de ontmoeting met die persoon even bespottelijk als avontuurlijk vond. Hij maakte grapjes over die man, een zekere Werner, en ik vertelde mijn vriend over mijn officier, die zich Achim noemde - de Stasimensen stelden zich principieel alleen met een voornaam voor - zodat ik bijna de indruk had dat het op deze leeftijd heel normaal was een persoonlijk oppasser te hebben, alsof de Stasi een soort jeugdhulp was.

Op een dag bracht die vriend een krant van de maoïstische KPD/ML mee, die hij in zijn brievenbus had gevonden. Hij wilde haar aan de Stasi geven, niet zozeer uit plichtsgevoel of zo, maar omdat hij deze gag wel opwindend vond. Omdat ik wist dat hij dit van plan was, vertelde ik dit aan de Stasi-man toen deze weer op bezoek kwam. Hij verzocht mij het voorval op te schrijven en zo stelde ik mijn eerste bericht samen, een grotendeels gedicteerd verslag.

De volgende dag werd de oorspronkelijke versie - die ik nog eens in het net wilde overschrijven - door mijn vriendin gevonden. Ze schrok vreselijk. Ik weet niet meer hoe ik het haar heb verklaard maar wij spraken er later nauwelijks over en op de een of andere manier was het incident de wereld uit. Enkele jaren later kwam het mij onbegrijpelijk voor dat ik zo naïef was geweest, maar in die tijd had ik de indruk dat de Stasi een soort verzorgingsinstituut was voor jonge mensen, die waren gestruikeld en die werden geholpen in plaats van ze direct in de gevangenis te stoppen.

Mijn dus niet meer zo door angst beheerste beeld van de Stasi werd nog versterkt door een andere, nieuwe collega die in het geheel niet verbloemde dat hij vele vrienden bij de Stasi had - zij kwamen in het weekeinde gewoon naar de stookhal om er hun auto te repareren of te wassen. Ik voelde mij helemaal niet schuldig dat ik deze mensen kende, ik ging heel gewoon met ze om, en ik schrijf dit hier om te laten zien hoe vele gezichten de Stasi kon hebben.

Ongeveer in 1978 begon een gemeenschappelijke vriend van ons in zijn woning exposities en lezingen te organiseren. Hij had geen enkel bezwaar tegen mijn collega met diens Stasi-vrienden. Integendeel, hij liet zich, zoals wij allemaal, door hem helpen als er iets gerepareerd of aangeschaft moest worden. De nieuwe collega en ook zijn vrouw waren een paar keer aanwezig, zelfs toen de Stasi de exposities, tenslotte met werk van Penck en een lezing met Heiner Müller, intensiever begon dwars te zitten en in de gaten te houden. Toen de Stasi-mensen de stookhal niet langer bezochten, zei die collega, als ik het mij goed herinner, dat zij waren overgeplaatst wegens te nauwe betrekkingen met ons. Misschien om die reden pleegde hij, in 1983 of 1984, zelfmoord.

Ik schreef toen wel eens gedichten, maar als schrijver was ik voor de Stasi volkomen oninteressant. Pas toen de tentoonstellingen en lezingen in de woning van mijn vriend begonnen, drong men er bij mij op aan daarover informatie te geven. Hoewel de Führungsoffizier (een begrip dat ik pas ken sinds de Stasi is ontbonden) van mij slechts wilde weten wie aanwezig was en wat ik van de tekeningen of van de lezing vond, stelde hij steeds nadrukkelijker de eis daarover te berichten en voor het eerst kwam ik duidelijk in een vertrouwensconflict tegenover mijn vrienden. Toen ik de bijeenkomsten voorstelde als volledig onpolitiek en vergelijkbaar met een negentiende-eeuws muziekkransje, liet hij weten dat hij van mij een andere houding verwachtte. Ik zei hem dat ik die bijeenkomsten als onschuldig weergaf omdat ik ze inderdaad als volstrekt ongevaarlijk beschouwde en ik weigerde van toen af aan berichten door te geven. Ik wilde mij alleen nog mondeling uiten en daaraan is tot het eind niets veranderd.

Maar aan de druk steeds meer te moeten zeggen kon ik nauwelijks weerstand bieden en ik voelde mij zo ontredderd, dat ik mij van 1979 tot 1983 bijna onafgebroken onder psychiatrische behandeling heb gesteld. In een half jaar durende klinische groepstherapie in 1981 en ook al daarvóór bij ambulante gesprekken bracht ik ter sprake dat ik contact had met de Staatssicherheit, waartegen ik niet was opgewassen. De therapeute meende echter dat dat niet mijn eigenlijke probleem was en dat dit probleem daar niet thuishoorde.

Kort daarna vertelde ik hetzelfde verhaal aan een vriendin; zij vertelde het verder met als resultaat dat enige vrienden afstand namen. Het is misschien moeilijk te begrijpen, maar het kwam mij niet zo slecht uit dat deze Stasi-geruchten over mij in omloop werden gebracht. Enerzijds - en bij het daarmee verbonden verlies aan menselijk contact - hadden zij een verzachtende invloed op het vertrouwensconflict waaraan ik in toenemende mate werd blootgesteld, anderzijds wist ik natuurlijk dat ook de Stasi zelf deze geruchten vernam en hoopte ik dat ze mij wegens mijn onbetrouwbaarheid niet te veel zou vragen. Misschien zou dit zelfs een inleiding zijn om er zachtjes uit te kunnen stappen. Ik begon die geruchten zelfs regelrecht te cultiveren, zó zelfs dat ik ook later in Berlijn nog als man met Stasi-connecties over de tong ging.

De werkelijke angst echter om alles openlijk naar buiten te brengen, was niet alleen de angst vrienden te verliezen, maar veeleer de angst voor de gevolgen die dan van de kant van de Stasi dreigden. Men gaf mij te verstaan dat ik te allen tijde voor de militaire dienst kon worden opgeroepen en dat men vanzelfsprekend niet kon garanderen dat er geen vervolging zou worden ingesteld wegens mijn aandeel in het vluchtplan. En dan, werd me duidelijk gemaakt, waren er natuurlijk goede en slechte gevangenissen.

Sinds twee jaar schreef ik kritieken voor dagbladen. Plotseling mocht ik in geen enkel blad meer publiceren. De redacteuren betreurden dat en zij verwezen naar een opdracht waarvan zij de reden niet kenden. Toen ik mijn Stasi-man daarnaar vroeg, zei hij dat hij niet wist waar die opdracht op berustte, maar dat de zaak, als hij zijn best deed, misschien wel in orde kon worden gebracht.

Bij de opening van een tentoonstelling met werk van Joseph Beuys - het moet in 1982 zijn geweest - in de permanente vertegenwoordiging van de Bondsrepubliek bevond ik mij in een zó uitzichtloze situatie dat ik besloot daar op die plaats, waar ik mij voor het eerst buiten de greep van staat en Stasi voelde, een diplomatiek vertegenwoordiger in vertrouwen te nemen. Ik kende hem een beetje van de exposities in Magdeburg. Toen hij hoorde dat het om een Stasi-probleem ging, verwees hij mij naar een collega, aan wie hij mij voorstelde.

Ik vertelde dat ik sinds jaren onder druk werd gezet omdat men mij verdacht van hulp aan vluchtelingen. Hij hoorde het hele verhaal geduldig aan en zei tenslotte dat hij niets kon doen en dat ik het probleem op de een of andere manier zelf moest oplossen.

Enkele weken later moest ik op 26-jarige leeftijd - tot die tijd kon ik steeds op grond van een attest uitstel krijgen - de militaire dienst in. Daar deed ik na vier weken een zelfmoordpoging met een medicament tegen hart-ritmestoringen. Een paar weken lang werd ik aan een monitor gelegd. Vanuit het ziekenhuis ging ik rechtstreeks naar de gesloten afdeling van een districtsinrichting voor zenuwzieken. Ik verbleef daar een half jaar. Van die tijd af gold ik als paranoïde en daarna hoopte ik, nadat ik bijna een jaar niets meer van de Stasi had gehoord, dat zij mij zou hebben opgegeven.

Na dat jaar stonden plotseling weer twee heren voor de deur, die zich met het bekende uitvouwbare legitimatiebewijs aandienden. Zij verzochten mij te verklaren dat de mij toegewezen officier fouten had gemaakt, dat hij niet genoeg op mijn geval was ingegaan en dat hij mij had moeten helpen met mijn persoonlijke problemen. Hij zou daarvoor als straf zijn overgeplaatst. Toen zij mij vroegen of ik voortaan bereid was hen te ontmoeten, gaf ik hun te verstaan dat ik daartoe niet in staat was en verwees daarbij naar de diagnose van de artsen. Na drie weken waren ze er echter weer. Ik zei dat ik op dat moment niemand kon binnenlaten en dat ik de eerstvolgende tijd niet thuis zou zijn. Overhaast besloot ik naar Berlijn te gaan, in de hoop daar ergens in de anonimiteit te kunnen verdwijnen.

Meer dan een jaar leefde ik daar zonder vast adres, in allerlei leegstaande woningen. Ik verdiende wat geld met het bezorgen van telegrammen en dergelijke. Toen ik mij in Berlijn bij de politie moest melden, begon een lange reeks voorgeleidingen bij de ABV (de Abschnittsbevollmächtigte politie), die wilde weten hoe ik in mijn onderhoud voorzag en die mij verhoorde wegens "asocialiteit' en "kraken'. Later zaten er tijdens deze verhoren ook twee heren in burger bij, aan wie je meteen kon zien dat ze van de Stasi waren.

Op een dag stonden zij voor mijn deur, ze wilden mij spreken omdat tegen mij aangifte was gedaan wegens asociaal gedrag. Ze deelden mij mee dat zij een oogje toe zouden doen, maar dat een vervolging nauwelijks meer te verhinderen was. Bijna bezorgd informeerden zij naar mijn toekomstverwachting, naar mijn inkomsten en verzekerden mij dat zij alleen maar wilden helpen.

Begin 1984 had ik al enkele teksten in het Westen gepubliceerd. Bij hun volgende bezoek kondigden zij een procedure wegens deviezenontduiking aan. In die tijd kwam bij mij de gedachte op: als ik een paar situaties of gesprekken met de Stasi zou opschrijven en die in het Westen zou publiceren, zouden zij mij misschien met rust laten. Ik schreef een tekst die in 1984 bij Luchterhand in de bloemlezing Das Abschnappuniversum verscheen en waarin ik enkele uitspraken van de Stasi-officieren letterlijk weergaf: ""Zij schrijven voor het Westen - daarvoor geldt een oud spreekwoord: Wiens brood ik eet diens woord ik spreek... Ik wil ze vertellen dat er van ons ook een paar over de grens werken, die hebben alles waar je van droomt, daar neem ik mijn hoed voor af, dat die kameraden niettemin ferm aan onze zijde staan.''

Ik gaf de Stasi het boek. De tekst bevatte geen onthulling, maar onmiskenbaar wel het Stasi-bedrijfsgeluid. Daarvan waren zij totaal niet onder de indruk, ze haalden mij kort daarna opnieuw de dienstruimten van de ABV binnen om mij zes uur lang te verhoren. Ik weet niet meer wat ik op die dag allemaal heb gezegd; ik weet alleen dat ik mij daarna voelde alsof ze mijn hersens hadden weggezogen.

De volgende middag vertelde ik aan een vriend dat ik de halve nacht bij de Stasi had gezeten. Ik had niet de moed mijzelf te bekennen, laat staan een ander mee te delen, dat ik eigenlijk sinds jaren zelf bij de Stasi was. Zo stelde ik het mij ook niet voor (wist ik wat een IM was - Inoffizieller Mitarbeiter - dat begreep ik pas later uit de kranten), ik zag het als een voortgezette poging tot medewerkerswerving, en ik had, wanneer ik met hen sprak, nooit het gevoel dat ik mijn vrienden verried. Bij deze gesprekken ging het immers hoofdzakelijk om mij en om mijn houding en die wilde ik uitleggen, een houding die in andere omstandigheden niet anders was. Daar kwam bij dat ik ook altijd het gevoel had als een tegenstander te worden ondervraagd.

Aan het eind van 1985, toen ik door mijn connecties en publikaties voor de Stasi bijzonder interessant was geworden, werd ik herhaaldelijk kort achter elkaar opgehaald onder het mom van de bekende beschuldigingen. In werkelijkheid ging het hun er natuurlijk om iets te weten te komen van de Prenzlauer Berg. Ik zag langzamerhand geen andere mogelijkheid meer dan daarop in te gaan en mezelf een nieuwe houding te geven. Ik zei tegen mezelf: als ik ze dan niet kan ontlopen en als ik de vervelende verhoren moet verkiezen boven de luchtige gesprekken, zal ik moeten proberen de spelregels mede te bepalen, zal ik hun duidelijk maken waarover ik wel en waarover ik niet kan spreken. Ik meende een inzicht te hebben in de informatiewaarde en ik dacht: ik kan ze uitleggen wat een essay is of een performance; ik spreek erover bij welke lezing ik aanwezig was, wie ik er aantrof, wat gelezen werd, enzovoorts. Ook dat ik op oudejaarsavond bij Lutz Rathenow monopoly heb gespeeld, dat hij mij tijdschriften liet lezen, dat ik hem op de Leipziger Buchmesse zag en vast nog veel meer. Maar ik noemde niet de Westerse honoraria, het wisselen van geld, niet de smokkelwegen uit of naar het Westen, niet het vervaardigen van drukwerk, niets waardoor iemand in gevaar werd gebracht. Ik wist waar drukpersen verborgen waren, ik kende mensen van wie ik wist dat zij via Hongarije naar het Westen wilden vluchten, ik kende diplomaten die kopieerapparaten, computers, videorecorders en brieven gesmokkeld hadden - over dat alles kwam de Stasi niets te weten.

Ik had door mijn publikaties en door het zelfbewustzijn van de scene van Prenzlauer Berg intussen een tamelijk luchtige houding tegenover de Stasi opgevat en ik meende dat ik, als ik dan niet van ze af kon komen, er misschien maar het beste uit moest halen. Van 1986 af begon ik met de twee-maandelijkse heruitgave van de ariadnefabriek. Eerder had ik de Stasi daar niets over verteld, en zo probeerde ik te demonstreren dat ik mij niet door hen liet beïnvloeden. Heimelijk hoopte ik ook zoveel van hun tolerantie te vergen dat zij niets meer van mij zouden verwachten. Ik was niet zo naïef te menen dat ik de Stasi kon overtuigen van het culturele belang van Prenzlauer Berg, maar ik geloofde wel dat ik ze het zeer pragmatische inzicht zou kunnen verschaffen dat het zinloos was iets tegen de tijdschriften of de exposities te ondernemen - verbieden zou meer ontstemming wekken dan gedogen - en dat, als een cultuur buiten de officiële kringen groeide, dit niet aan die cultuur moest worden toegeschreven, maar juist aan de in die kringen heersende benauwdheid.

Sinds 1987, toen de zalen van de ecologische bibliotheek werden doorzocht en een wake voor de Zionskerk werd gehouden, was ik politiek bewuster geworden. Ik begon artikelen te schrijven en interviews te geven. Daarmee hoopte ik dat ik langzamerhand voor de Stasi werkelijk te veel zou worden. De beide volgende jaren, tot het bespottelijke einde van de DDR, kwam er nu ook zoiets bij als een gevoel van bevestiging: dat wat ik de Führungsoffiziere ook trachtte uit te leggen, juist onvermijdelijk het tegengestelde effect opriep. Ik ben mij ervan bewust dat dit gevoel gelijk te hebben gekregen hier rijkelijk misplaatst is. De Stasi heeft mij in mijn intellectueel verheerlijkte motivatie net zo gebruikt als zij dat daarvóór deed met mij als angstige psychopaat. Niettemin voelde ik dat in die tijd nu eenmaal zo, en ik kan niet meer doen dan dat hier beschrijven.

In 1986 hoefde ik niet meer bang te zijn te worden veroordeeld voor een meer dan tien jaar oud onderzoek of te worden vervolgd wegens asociaal gedrag. Maar afgezien van angst of een soort gewenning aan de Stasi had ik nog een ander motief: ik wilde het tijdschrift behouden. De beslissing over het voortbestaan ervan lag niet in handen van de afdeling vergunningen van het ministerie van voorlichting, maar alleen bij de Stasi. Het was wederom een louter literair blad, en het stond nog steeds onder bescherming van de kerk. Ik hield het zelfs voor clever voor elk exemplaar dat de Stasi wilde hebben, driehonderd mark te vragen en ik verkocht ook een ander tijdschrift, "Schaden', voor vierhonderd mark. Het geld stak ik in de produktie en in de aanschaf van een computer en ander werkmateriaal. Instellingen - voor mij was de Stasi een instelling - betaalden altijd een veelvoud van de normale prijs. Zo kon ik het privé-abonnement op het blad op veertig mark houden. Ik wilde een soort tussenpersoon zijn en publiceren wat anders niet zou zijn verschenen.

Ik geef toe dat het een zwak argument is. Men zal mij met recht voor de voeten werpen dat ik dit min of meer vrijwillig heb gedaan en ik kan dat niet ontkennen. Wie echter de DDR maar enigszins kent, weet dat zelfs een kerkkoor nauwelijks in het Westen mocht optreden, dat menige goede tentoonstelling of gastvoorstelling er niet zou zijn geweest, als niet iemand daarover met de Stasi had onderhandeld - bij alle andere instanties was je daarvoor aan het verkeerde adres. Zelfoverschatting, naïviteit of lafheid - ieder kan zijn eigen oordeel geven over de door mij vertoonde mate van aanpassing.

© Frankfurter Allgemeine Zeitung