GEORGES MANDEL; Een minister die de weg naar roem en glorie miste

Georges Mandel. L'homme qu'on attendait door Jean-Noël Jeanneney 186 blz., Seuil 1991, f 44,50 ISBN 2 02 013111 0

De naam van Georges Mandel, minister van binnenlandse zaken in het oorlogskabinet-Reynaud, zegt negen op de tien Fransen niets meer. Nabij Trocadero is een Avenue naar hem vernoemd. Dat is zowat alles. De historicus Jean-Noël Jeanneney breekt in zijn biografie Georges Mandel een lans voor deze - volgens hem ten onrechte in vergetelheid geraakte - politicus uit de Derde Republiek. Hij toont aan dat Mandel in de dramatische junidagen van 1940 op een haar na geschiedenis heeft gemaakt. Had het lot anders toegeslagen, had Mandel iets anders in elkaar gezeten, dan had de op dat moment nog onbekende brigade-generaal De Gaulle wellicht nooit het voortouw van de "vrije Fransen' kunnen grijpen.

De val van het kabinet-Reynaud op 16 juni 1940 was het logische gevolg van de militaire ineenstorting van Frankrijk. De weg voor maarschalk Pétain - en daarmee voor diens streven naar samenwerking met de Duitsers - lag daarmee open. In de weken voorafgaand aan het debâcle was de vijfenvijftig-jarige Georges Mandel vrijwel de enige minister die het hoofd koel wist te houden. Hij bleek de "sterke man' van de regering-Reynaud, een onvermurwbaar bestrijder van totalitarisme.

Mandel had minachting voor het defaitisme van de generaals en zijn collega-ministers. Nog op 13 juni pleitte hij in de ministerraad ervoor de strijd tegen Duitsland onvoorwaardelijk voort te zetten. En: in tegenstelling tot brigade-generaal De Gaulle had hij wel degelijk een internationale reputatie.

Op 16 juni stuurde Churchill zijn medewerker generaal Spears naar Bordeaux om Mandel te overreden naar Londen uit te wijken. Mandel weigerde met het argument dat hij de strijd vanuit Noord-Afrika wilde voortzetten. Hij maakte op Spears een verscheurde indruk. Die weifelachtigheid had zeker met zijn joodse achtergrond te maken. Tegen de Britse generaal zei hij: ""U maakt zich zorgen omdat ik jood ben. Maar juist omdat ik jood ben, zal ik morgen niet vertrekken.' In zijn memoires Assignment to Catastrophe zou Spears later schrijven: ""Mandel was een buitengewoon mens. Zijn intelligentie frappeerde iedereen die met hem te maken kreeg. Hij had een ongelofelijk geheugen en zijn moed was verbluffend.'

KOSTBARE TIJD

Gezien de dikwijls moeizame relaties die hij in de oorlogsjaren met De Gaulle onderhield, moet Churchill het diep hebben betreurd dat Mandel niet tijdig naar Engeland heeft kunnen ontkomen. Bij een van zijn frustrerende ontmoetingen met de leider van de vrije Fransen, in januari 1944 in Marrakesj, zou hij zelfs vertwijfeld hebben uitgeroepen: ""Oh, had ik Mandel in juni 1940 maar uit Marokko kunnen krijgen.'

Feit is dat die in de dagen tussen de ineenstorting van het front en het sluiten van de wapenstilstand kostbare tijd voorbij liet gaan. Op 20 juni vertrok hij vanuit Bordeaux per schip naar Marokko. Maar toen hij vier dagen later in Casablanca aankwam, hadden de aanhangers van Pétain het ook in de kolonie inmiddels voor het zeggen. Mandel liet de Britse consul weten dat hij alsnog naar Londen wilde vertrekken. Churchill stuurde ogenblikkelijk zijn minister Duff Cooper naar Marokko, maar de plaatselijke Franse autoriteiten verhinderden dat de Engelsen Mandel konden meenemen. Mandel was in de val gelopen. Hij werd onder politie-escorte naar Vichy-Frankrijk gestuurd, waar hij werd geïnterneerd.

Georges Mandel: de anti-held. Op een beslissend moment had hij zijn kans gemist om van briljant politicus een staatsman te worden. In plaats van direct op 20 juni naar Londen te ontsnappen, koos hij voor Noord-Afrika. Voor Jeanneney is van toeval geen sprake. Mandel heeft niet ""de totaliteit van zijn immense energie' ingezet om de val in Marokko te ontlopen, schrijft hij.

Georges Mandel is half biografie, half essay. Bioessay heet dat in het Franse vakjargon. Het boek is een briljant geschreven politieke psycho-analyse. Jeannemey gaat vooral in op de vraag waarom Mandel op een cruciaal moment niet die besluiten heeft genomen die zijn lot, en wellicht dat van Frankrijk, een andere wending hadden kunnen geven.

Zijn joodse achtergrond was ongetwijfeld een factor. Mandel wist zich kwetsbaar voor het verwijt dat hij als jood, en niet als Fransman of politicus en drager van legitimiteit, zijn vaderland zou hebben verlaten. Daarnaast speelde zijn politieke verleden hem parten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij twee jaar lang chef de cabinet van premier Clemenceau geweest. Dank zij z'n opmerkelijke gaven verwierf Mandel zich in die tijd de reputatie van grijze eminentie. Maar Clemenceau duldde geen rivaliteit. "Le Tigre' liet er geen twijfel over bestaan dat Mandel in zijn schaduw diende te blijven.

LEGITIMITEIT

Die ervaring met Clemenceau heeft Georges Mandel voorgoed getekend, suggereert Jeanneney. Ondanks zijn autoritaire karakter deinsde Mandel in de oorlogsdagen van 1940 terug voor een leidersrol. Dat bleek tijdens een dramatische ontmoeting die hij als minister van binnenlandse zaken op de avond van de 13de juni 1940 had met Charles De Gaulle, die toen onder-minister van oorlog was. Frankrijk had de oorlog al verloren en De Gaulle wilde aftreden om de strijd elders voort te zetten. Mandel was het daarmee eens, maar drukte zijn gast op het hart nog niet zijn ontslag in te dienen. ""U hebt nog grote plichten te vervullen, generaal!' zei Mandel volgens De Gaulle in zijn Mémoires, ""Maar dan met het voordeel dat u, te midden van ons allen, ongeschonden blijft.'

Hiermee doelde Mandel op de noodzaak voor De Gaulle om de legitimiteit die hij op dat moment nog aan zijn onderministerschap ontleende, zo lang mogelijk intact te houden. ""Ik moet zeggen dat dit argument mij overtuigde om nog te wachten met mijn ontslag,' schreef De Gaulle later in zijn Mémoires, ""Het is misschien hieraan toe te schrijven wat ik vervolgens heb kunnen doen.'

Met andere woorden, als De Gaulle het advies van Mandel in de wind had geslagen, zou hij niet getooid zijn geweest met enige legitimiteit toen hij zich op 18 juni vanuit Londen tot leider van het Vrije Frankrijk uitriep. Jeanneney concludeert dat Mandel zich welbewust heeft opgeworpen als de mentor van De Gaulle en niet zelf het aanvoerdersschap van de Vrije Fransen wilde grijpen, hoewel hij daartoe in de gelegenheid was.

Het was een besluiteloosheid die voortkwam uit het dilemma waarmee hij al zijn hele leven geworsteld had. Georges Mandel werd als Louis Rothschild op 5 juni 1885 in Chatou geboren. Het milieu was bescheiden, maar een beter geïntegreerde joodse familie dan de zijne is nauwelijks denkbaar. Zijn grootvader van vaderskant was in 1844 vanuit Beieren naar Parijs geëmigreerd. Daar trouwde hij met een Parisienne. De vader van Georges had een textielwinkel in de joodse wijk van Parijs.

Op het lycée Condorcet was Louis een onopvallende leerling. Alleen in geschiedenis excelleerde bij. Als cadeau voor zijn 13de verjaardag koos Louis voor een abonnement op de Staatscourant.

Als jongeling maakte Louis Rothschild de affaire-Dreyfus mee. Hoewel er geen relatie met de bankierdynastie bestond, beschouwde hij zijn naam als een obstakel voor zijn politieke ambities. Hij besefte dat de naam Rothschild hem zowel kon blootstellen aan het traditionele antisemitisme van rechts als aan de afkeer van links voor geld. Op zijn 17de nam hij de naam van zijn moeder aan: Henriette Mandel. Omdat hij niet verward wilde worden met zijn oom Louis, mat hij zich tegelijkertijd de voornaam Georges aan.

Achttien jaar was hij toen hij redacteur werd bij L'Aurore, de krant waarin Zola zijn beroemde "J'accuse' over de zaak Dreyfus had gepubliceerd, maar vooral de krant van Clemenceau. Het was het begin van een langdurige werkrelatie. In het eerste kabinet-Clemenceau (1906-1909) behoorde Mandel tot diens kring van medewerkers, maar zijn invloed was nog bescheiden. Zijn grote kans kwam in november 1917, toen hij als tweeëndertig-jarige tot chef de cabinet van premier Clemenceau werd benoemd en grote bevoegdheden kreeg. Al snel trok hij aandacht door zijn fabelachtige geheugen en grondige kennis van dossiers. Clemenceau noemde hem bewonderend ""een levende encyclopedie', hetgeen niet betekende dat hun relatie vrij was van stormachtige botsingen.

Mandel moest zich menigmaal schikken in de rol van zondebok, bliksemafleider. Maar ondanks de nodige vernederingen bleef hij loyaal aan zijn meester. Toen Clemenceau eind 1929 overleed, was Mandel een van de weinigen die door "Le Tigre' het voorrecht was gegund om diens stoffelijke overschot naar de geboortegrond in de Vendée te begeleiden.

In de jaren twintig nam Mandel met wisselend succes deel aan parlementsverkiezingen. Pas in 1934, vijftien jaar dus na zijn vertrek als naaste medewerker van Clemenceau, kon hij weer aan de macht ruiken: minister van de PTT in het kabinet-Flandin. Met groot vertoon haalde Mandel de bezem door dit ingeslapen ministerie. Incompetente topambtenaren werden zonder pardon de laan uitgestuurd, medewerkers werden op de meest bizarre uren bij hem ontboden. Toch was dit excentrieke, despotische gedrag niet meer dan een façade. Al snel wist de minister spectaculaire verbeteringen bij de postbezorging, telefoon en radio door te voeren. Enkele jaren later onderscheidde hij zich als minister van koloniën in het kabinet-Daladier door een liberaal beleid. Het was Mandel die de eerste zwarte gouverneur in Afrika benoemde.

VRIJGEZEL

Van Mandels privé-leven is weinig naar buiten doorgedrongen, en ook Jeanneney heeft op dit gebied weinig te vertellen. Georges Mandel was een verstokt vrijgezel. Dat heeft belangstelling voor vrouwen echter niet uitgesloten. In 1930 werd althans bekend dat hij vader van een dochtertje was geworden.

Mandel is zijn hele leven ziekelijk geweest. Hij was klein van gestalte, gezet, had een bochel en een buikje, kortom, hij was uitzonderlijk lelijk. Dat hij deze onaantrekkelijke verschijning met autoritair gedrag probeerde te compenseren, ligt voor de hand. Wanneer de buitenwereld hem met zijn lelijkheid confronteerde, kon hij hooghartig uit de hoek komen. In december 1919 werd hij burgemeester van Soulac, in de Médoc. Toen hij voor het eerst in zijn nieuwe functie het stadhuis binnentrad, hoorde hij een werkster zeggen: ""Wat is hij lelijk.' Mandel reageerde razendsnel: ""Mevrouw, voor zover ik mij herinner, heb ik u nooit ten huwelijk gevraagd.'

Hij behoorde in de Derde Republiek tot het gematigde rechtse kamp. Solidariteit met de bezittende klasse heeft hij echter nooit gevoeld. Zijn achilleshiel was de marginale positie die hij als politicus innam. "Le Solitaire' had geen grote politieke partij of organisatie achter zich. Dat moet de voornaamste reden zijn geweest waarom hij bij cruciale gebeurtenissen - de remilitarisatie van het Rijnland in 1936 en het akkoord van München in 1938 - naliet de consequentie uit zijn opvattingen te trekken door af te treden. Aan moed ontbrak het hem geenszins, maar hij kon de gedachte niet verdragen dat hij buiten de regering geen invloed meer zou hebben. Zijn verlangen om deel van het politieke establishment te blijven, was des te heftiger omdat velen poogden hem wegens zijn joodse achtergrond uit te schakelen.

Al in november 1933 waarschuwde Mandel in het parlement voor het nationaal-socialistische gevaar. Zijn ferme houding tegenover Duitsland werd door patriottisme en politieke overwegingen ingegeven, maar haalde hem van rechts het verwijt op de hals dat hij zijn jood-zijn liet prevaleren. Maar ook links wantrouwde hem. Mandel zelf voorspelde al op een vroeg tijdstip dat hij pas minister van binnenlandse zaken zou kunnen worden, wanneer het land reddeloos verloren was, ""wanneer niemand zich meer zal bezighouden met de vorm van de neus der regeerders'.

LIQUIDATIE

Op het beslissende moment in 1940 heeft Georges Mandel dus de weg naar de roem gemist. Het leven heeft hem daarna niet meer toegelachen. Eerst hield het Vichy-regime hem gevangen. Na de bezetting van de zuidelijke zone werd Mandel door de Duitsers naar Buchenwald gebracht. Daar deelde hij veertien maanden lang een gijzelaarsbestaan met de voormalige Volksfront-president Léon Blum. Nog in 1943 intervenieerde De Gaulle bij de Britse regering om Berlijn te waarschuwen dat het lot van Rudolf Hess en andere vooraanstaande Duitse gevangenen zal afhangen van de manier waarop Mandel en Reynaud werden behandeld.

Maar het mocht niet baten. Het Vichy-regime en de collaborateurs in Parijs koesterden een blinde haat tegen Mandel. Als represaille voor het doden van een Vichy-minister door het verzet werd Mandel in de zomer van 1944 naar Parijs overgebracht. Op 7 juli haalde de Milice hem uit de Santé-gevangenis. Diezelfde dag, zes weken voor de bevrijding van Parijs, werd hij in het woud van Fontainebleau doodgeschoten.

Het satirische collaborateursblad Je suis partout publiceerde na de liquidatie een karikatuur, waarop de Dood Mandel in haar armen houdt en hem monter toeroept: ""Zo kleintje, ben je nu eindelijk je grote vriendin komen bezoeken?'

Kort na de oorlog is bij Fontainebleau ter nagedachtenis van Georges Mandel een simpele gedenksteen onthuld. In 1979 werd het monument door een explosie vernield. Haat is Mandel ook na zijn dood blijven achtervolgen.