Er kan ons niets gebeuren, ons leven is in handen van God; Fundamentalisten Algerije propageren geduld vóór geweld

ALGIERS, 18 JAN. De man in het bijkantoortje van Air Algérie die altijd weg is (“even koffie drinken”) en altijd net zo onverschillig als onbeschoft is tegenover de klanten, was opeens de warmte zelf. Bezorgd vroeg hij een journaliste, die Algerije moest verlaten: “Waarom gaat u weg? Wat is er aan de hand? U laat ons toch niet in de steek?”

Hij is niet de enige in Algerije, die zich grote zorgen maakt over de toekomst. Zelfs de oproerpolitie en de militairen zijn nerveus. Dat bleek gisteren, toen zij bij duizenden waren opgetrommeld om zoveel mogelijk gelovigen de toegang naar de Sunna-moskee in Bab el-Oued te versperren. Zij wisten niet of de leiders van het FIS (Front van de Islamitische Redding) tot opstand zouden oproepen en wanneer zijzelf het bevel tot schieten zouden krijgen.

Maar het was duidelijk dat de mannen, die een menselijke keten vormden met de wapenstok in de hand en een machinegeweer in de aanslag, niet gerust waren op de afloop. Ze hadden zelfs sneeuwschuivers opgesteld om eventuele barricades het hoofd te bieden. De zwart- en de groen geüniformeerde mannen in de getraliede bussen en de pantserwagens hielden zoveel mogelijk afstand. Hoge officieren in jeeps keken toe hoe het gejurkte volk hen in stilte verwenste.

Het liep allemaal goed af - gisteren althans. Want de paar leiders van het FIS die nog niet zijn ondergedoken - Abdelkader Hachani, de "voorlopige' voorzitter van het FIS, en imam Habib el-Moghni - hitsten de gelovigen op, maar kalmeerden hen tegelijkertijd. Door de luidsprekers, die hun stemmen tienduizend maal versterkten, scholden zij de nieuwe machthebbers uit. In de stegen luisterden de gelovigen met diepe aandacht naar hun woorden - staand of zittend op een bidkleedje. In de grote straten mochten zij zich niet meer ophouden en het verkeer al biddend tegenhouden; daar reden traag de politie- en de legerwagens op en neer.

Al die dreigend bewapende mannen wisten niet wat de jongetjes van 16, 17 jaar al lang via het voortreffelijk werkende communicatiesysteem van de moskeeën hadden gehoord: dat de leiders van het FIS besloten hadden om de Jihad (de Heilige Oorlog) met politieke middelen en niet met de wapens uit te vechten.

“Wij hebben te veel slechte ervaringen met het leger gehad”, zei een FIS-aanhanger die zelf in het leger had gediend en uit ervaring wist hoe hard de opleiding is. Hij doelde op de vele honderden doden die bij de opstand van de jongeren in oktober 1988 vielen, en op de vele tientallen doden in juni vorig jaar, toen het FIS met geweld de macht over Algerije dacht te kunnen veroveren.

Nog vorig jaar juni, toen de staat van beleg in Algiers was afgekondigd, zei sjeik Abassi Madani (een van de twee hoogste leiders van het FIS en sinds een half jaar in de gevangenis) dat de strijders van het FIS “klaar stonden om de tanks te verslinden” die bij de moskeeën stonden opgesteld, en dat zelfs “de moslim-vrouwen in hun eentje in staat waren het Algerijnse leger te overwinnen”. Maar nu spreken de mannen die het FIS leiden heel andere taal. Zij zijn voorzichtiger geworden en beperken zich tot felle aanklachten en verwijten tegen “de vijanden van de islam”.

Een groep jongens staat bij een tafeltje, waar één van hen sigaretten verkoopt. Ze halen ze in het buitenland op en betalen ze in Franse francs. “We reizen op en neer naar Europa en we nemen per reis zo'n honderd dozen mee.” Ze moeten erg lachen bij de vraag hoe ze die sigaretten door de douane brengen. “Zijn vader - van hém daar - werkt bij de douane op het vliegveld. Dus dat is geen probleem. Hij is erg rijk.”

Zijn ze teleurgesteld dat het FIS de acties opschort? “Nee”, roepen ze in koor. “Dat kun jij niet begrijpen, jij bent geen moslim. Maar wij hebben geduld, wij kunnen twee jaar, drie jaar wachten. Dat maakt niets uit.”

Het wordt nu ook wat duidelijker hoe het FIS aan zoveel geld komt om zijn sociale en politieke activiteiten te betalen. Vroeger kwam het uit Saoedi-Arabië. Zoals mijn FIS-gezinde chauffeur al eerder uitlegde: “De ene jurk betaalde aan de andere. Daar is toch niets bijzonders aan?”

De laatste tijd krijgen al die kleine en grote handelaren in toegestane en verboden artikelen een briefje van het FIS: “Wilt u alstublieft aan de moskee een bedrag overmaken?” Wie niet uit islamitische overtuiging betaalt, doet dat uit zelfbehoud. Want iedereen weet dat het FIS hen die niet meegaan, weet te vinden en te straffen.

Over de krullerige balkons van de verveloze huizen uit de koloniale tijd hangen de vrouwen. Onder hen hangen als klimplanten de draden waarmee alle bewoners illegaal elektriciteit uit het gemeentenet aftappen. Ook de vrouwen luisteren aandachtig naar hetgeen de FIS-leiders Hachani en Moghni te vertellen hebben.

“Er kan ons niets gebeuren”, zeggen de predikers. “Want ons leven is in handen van God. En wat de islamitische staat betreft, die kunt u (duivelse macht, die nu aan het bewind is) niet vermoorden - wat u ook doet (...) Het regime steunt alleen maar op zich zelf, het ontleent zijn kracht uitsluitend aan zichzelf. Maar het islamitische bestuur ontleent zijn kracht aan God. Zolang de mensen zich maar aan de islam houden, kan hun niets gebeuren (...) De machthebbers gedragen zich als farao's. Jullie kunnen ons doden maar wij winnen toch.”

Hachani vertelt voor de zoveelste maal dat de islam in Algerije stapsgewijs en in een legaal kader - geheel volgens het gedrag van de Profeet - zal overwinnen. Dat iedereen die voor de islamitische oplossing is, wat ook zijn politieke overtuiging moge zijn, bij het FIS onderdak kan vinden. Dat het systeem zijn ondergang tegemoet gaat en zal verdwijnen.

Hij eindigt: “Nu vandaag moeten we waakzaam zijn en op geen enkele provocatie ingaan. God zal ons de overwinning brengen en het heil zal voor ons zijn” en sluit af met een vers uit de koran: “Weest niet bedroefd. U bent de besten. Wapent u met geduld en met berusting.”

Imam Habib el-Moghni neemt het woord. Van hem stamt de beroemde definitie wat een islamitische staat is: “Eén man: de imam; één ideologie: de Koran; één wet: de sharia; één grondgebied en één God.”

Nu richt imam Moghni zich rechtstreeks tot de nieuwe overheid: “Jullie hebben gesproken over de grondwet, wij over de koran. Jullie zijn van mening veranderd. Want jullie hebben de grondwet nu afgewezen, terwijl wij nog steeds de koran erkennen. Dat is namelijk het enige waarin wij geloven.”

“Wij accepteerden de kiesregels die jullie hebben opgesteld en wij wonnen. Wat gebeurde er? Jullie wijzigden alles. Jullie hebben je woord niet gehouden. Als je ons wilt doden, doodt ons! Maar wij zullen niet ophouden met ons projekt van de islamitische staat (...) Zelfs als jullie ons doden, zullen wij niets doen!”

“Wij reageren niet. We moeten hun geen voorwendsel geven tussenbeide te komen. Gelukkig is de gelovige, de hemel behoort hem. Zij die Algerije regeren, zijn dat wel moslims? Zij doen een beroep op het volk, maar zij eerbiedigen zijn keus niet. Zij hebben vrije verkiezingen beloofd en nu zeggen zij: Waarom heb je voor de islam gekozen? Dat is toch wel heel vreemd. En als het volk protesteert, bedreigen ze het met geweren. Er is geen ergere vernedering.

“De regerende politieke kliek verwachtte, om de waarheid te zeggen, dat jullie erop af zouden gaan en dat jullie de mensen zoudt oproepen om voor hun rechten te vechten. Maar dat zullen we niet doen. Dat nu is onze overwinning. En daarom zijn zij verward. Wij beantwoordden niet aan hun verwachtingen en maakten al hun berekeningen stuk (...)”

In het koffiehuis blijkt één van de aanwezigen bij de gebedsdienst geweest te zijn en toch niets voor het FIS te voelen. “Ze komen uitsluitend met mooie beloftes en ze zijn geen democraten. Die Hachani zegt altijd dat zijn partij de Waarheid vertegenwoordigt en alle anderen de Leugen. Hij liegt.”

De man blijkt op het FFS van Aït Ahmed te hebben gestemd “omdat dat democraten zijn”. Maar hij heeft geen idee hoe zijn kinderen stemden. “We praten er thuis niet over. Ik denk dat ze op het FIS hebben gestemd.”

We rijden langs een vers geschilderde leus in het Frans: STOP DE INDOCTRINATIE VAN ONZE KINDEREN.