EEN HOLLANDS FIASCO OP FORMOSA

't Verwaerloosde Formosa, of waerachtig verhael, hoedanigh door verwaerloosinge der Nederlanders in Oost-Indien, het Eylant Formosa, van den Chinesen Mandorijn, ende Zeerover Coxinja, overrompelt, vermeestert, ende ontweldight is geworden Ingeleid en geannoteerd door G. C. Molewijk 243 blz., geïll., Walburg Pers 1991 (Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging XC), f 56,- ISBN 90 6011 711 5

Over het reilen en zeilen van de Verenigde Oostindische Compagnie in het Verre Oosten tijdens de zeventiende en achttiende eeuw bestaan maar weinig geschiedwerken uit de tijd zelf. 't Verwaerloosde Formosa is dus uitzonderlijk, ook al omdat het door een compagniedienaar is geschreven. Toch beleeft dit werk, sinds de publikatie in 1675 te Amsterdam, nu pas de eerste Nederlandstalige herdruk, met uitgebreid commentaar van G. C. Molewijk.

't Verwaerloosde Formosa verscheen oorspronkelijk onder het pseudoniem C. E. S. waarmee, naar algemeen wordt aangenomen, "Coyett et Socius' ("Coyett en bondgenoot') wordt bedoeld. Wellicht zijn er bij het ontstaan van het boek inderdaad twee personen betrokken geweest, maar als voornaamste auteur geldt de VOC-dienaar Frederik Coyett die in de periode 1656-1662 gouverneur was van de Compagniesvestiging Formosa, dat in het Portugees "het mooie eiland' betekent. Als zodanig maakte hij de Chinese belegering van Fort Zeelandia aldaar mee en moest zich uiteindelijk overgeven. Ter vereenvoudiging van de feiten wezen de VOC-autoriteiten in Batavia en in Nederland hem aan als zondebok. Coyett werd verantwoordelijk gesteld voor het verlies van het eiland (dat wij nu kennen als Taiwan) en schuldig bevonden aan landverraad. Een en ander kostte hem zijn baan en een ruim tienjarige verbanning naar het eiland Banda.

BAKKERSKNECHT

Vermoedelijk werd Frederick Coyett ongeveer in 1615 te Stockholm geboren. Aanvankelijk had hij daar een baantje als bakkersknecht gehad. Niet bepaald een ideale vooropleiding om stand te houden in onverdedigbare forten op de andere kant van de wereld, maar carrières van VOC-personeel konden grillig verlopen.

Gelukkig voor hem beschikte Coyett na zijn veroordeling toch nog wel over invloedrijke connecties, onder meer door zijn huwelijk met Susanna Boudaen. Dit huwelijk maakte hem de zwager van de bekende François Caron, gouverneur van Formosa in de jaren 1644-1648, en opperhoofd van Japan in de periode 1639-1640. Ook hij leverde overigens een bijdrage aan de VOC-geschiedschrijving. In tegenstelling tot het werk van zijn zwager over Formosa, werd Carons Beschrijvinghe van het machtigh Coninckrijck Iapan uit 1648 echter een bestseller. Tijdens de zeventiende eeuw werd het boek in zes talen vertaald.

Het was, kortom, niet helemaal toevallig dat enkele hooggeplaatste figuren voor de verbannen Coyett op de bres sprongen. Zo stelde Rijckloff van Goens, de capabele gouverneur - en tussen 1676 en 1680 gouverneur-generaal - van Ceylon, voor de ongelukkige maar weer gewoon in dienst te nemen. In 1674 werd Coyett op instigatie van stadhouder Willem III inderdaad vrijgelaten. Hij kon naar Europa terugkeren op voorwaarde dat hij zich nooit meer in Azië zou vertonen.

Overigens verliepen in het begin van de zeventiende eeuw de zaken voor de VOC in het Verrre Oosten redelijk succesvol, vooral in de Indonesische archipel. Contacten met China bleken problematischer te liggen. Dat land hield zich nauwelijks met zeehandel bezig. Maar de Compagnie bleef aandringen, net als de Portugezen, die in 1557 van China het recht hadden verkregen Macau te stichten. En dat aandringen werd krachtig ter hand genomen. In tegenstelling tot de in het algemeen tactvolle VOC-strategie ten opzichte van Japan, werd heel wat minder voorzichtig op de Chinsese voordeur geklopt.

Jan Pietersz. Coen gebruikte oorlogsgeweld en de Nederlanders bouwden aanvankelijk plompverloren een fort op de Pescadores, een eilandengroep tussen het eiland Formosa (dat niet beschouwd werd als Chinees grondgebied) en de Chinese kustprovincie Foekien. Toen in 1624 dat fort door Chinese druk moest worden opgegeven, verhuisde de VOC naar Formosa. Daar werd op het westelijk schiereiland Tayouan het Fort Zeelandia gebouwd, dat werd bestemd als overslagstation en basis van waaruit het leven van Portugese en Spaanse schepen zuur moest worden gemaakt.

Fort Zeelandia had geen bloeiend bestaan. Wel leidde dit bruggehoofd ertoe dat de VOC op Formosa een landmogendheid werd. In 1629 besloot de Compagnie een stuk van het eiland te "pacificeren' ter beheersing van de bestaande locale handel op Japan en China. De autochtone bevolking van Formosa, die niet aan de Chinezen maar aan Maleiers verwant is, en groepen piraten bemoeilijkten deze onderneming.

Maar domineesland sloeg genadeloos toe! "Vechtdominee' Robertus Junius bracht het zuidwesten van het eiland met doortastend optreden in Nederlandse handen. Dominees en schoolmeesters werden haastig geïmporteerd om de belasting op de Chinese handel en jacht te innen. Het christendom werd verspreid, en met enig succes. Maar het Nederlandse ideaal, Formosa als calvinistisch en Nederlandstalig eiland, zat er niet in.

REBELLIE

In 1652 brak een opstand op het eiland uit tegen de koloniale overheersing. Het verzet richtte zich tegen de hoge belastingen. Het brein achter de rebellie was naar alle waarschijnlijkheid de Chinese piratenleider Coxinga, heerser over de tegenover Formosa gelegen "kust-republiek'. Coxinga (of: Coxinja - de naam was niets meer dan de Friesche versie van "GuoXingye') bleef de ineenstortende Ming-dynastie in de strijd tegen de Mandsjoes trouw. In de jaren tussen 1646 en 1658 wist hij de gehele Chinese zuidkust onder zijn bestuur te houden. Maar dat was een tijdelijk zaak: de Mandsjoes brachten Coxinga in 1660 een ernstige nederlaag toe bij Nanking en zijn "kustrepubliek' stortte ineen.

Maar ondanks zijn nederlaag beschikte Coxinga nog steeds over een vloot, terwijl de Mandsjoes alleen een landleger hadden. Er bleef hem geen andere uitweg over dan een oversteek te wagen naar Formosa. Dit gebeurde in 1661. Coyett had Batavia al enige tijd tevergeefs voor deze bedreiging gewaarschuwd. Een maandenlange belegering van Fort Zeelandia volgde en het onvermijdelijke gebeurde: begin 1662 capituleerden de Nederlanders.

De val van Formosa maakte in Europa en in de Oost een bijzonder grote indruk. Er waren vele doden gevallen en belangrijker: het prestige van Europa was geschonden. In allerlei publikaties werden de "Chinese gruwelen' breedvoerig aan de kaak gesteld, maar het Nederlands bewind op het eiland was voorgoed voorbij.

De kortstondige aanwezigheid van Nederlanders op Formosa en de publikatie van Coyetts boek hebben fascinerende en uiteenlopende sporen achtergelaten. Zo zag de jezuïet De Mailla in 1715 nog Nederlandse boeken in handen van Formosanen. Curieuze nawee was tevens het verschijnen in 1704 van An Historical and Geographical Description of Formosa, by George Psalmanazar, a Japanese but Born on that Island. De auteur beweert niet alleen dat Coxinga nooit bestaan had, maar ook dat de Formosanen zelf de Nederlanders eruit hebben gegooid. Het was een rijk geïllustreerd boekwerk met afbeeldingen van gebouwen, munten en, niet te vergeten, het Formosaanse alfabet. Er was één nadeel: alles was van a tot z verzonnen. Maar anders dan bij het werk van de goede Coyett, bleef het niet bij één druk. Er verschenen in rap tempo zes Engelse edities, en vertalingen in het Nederlands en Frans. Ook de goedgelovige aartsbisschop van Canterbury trapte in de fabulatie. Hij overwoog serieus de oprichting van een leerstoel in het door Psalmanazar verzonnen Formosaans.

TRIAS POLITICA

Coyetts publikatie bestaat uit twee delen. Deel I biedt de voorgeschiedenis, de samenleving der autochtonen op Formosa, de precaire positie der Nederlanders en deel II gaat over het beleg van Fort Zeelandia. In een Byvoeghsel beschrijft Coyett de Chinese moordpartijen, en als aparte bijlagen publiceert hij bronnen (Authentijcke bewijsen, dienende tot verklaringe van 't verwaerloosde Formosa) waarnaar in de tekst geregeld wordt verwezen. Het zijn uittreksels uit correspondentie, dagregisters en notulen van belang voor zijn betoog. De schrijver is uiterst kritisch over het beleid van de VOC. Hij stelt de bestuursvorm en de wijze van jurisdictie van de VOC fel aan de kaak. Zijn betoogtrant in dezen heeft opvallend veel weg van de Trias Politica-leer van Montesquieu.

Het boek is ook, en niet in de laatste plaats, een poging tot rehabilitatie van Coyett zelf in zijn positie van gouverneur van Formosa. Opvallend daarbij is zijn scherpe en kritische blik op mens en samenleving op Formosa, en op de Chinezen in het algemeen. Zo waarschuwt hij fel tegen het toen alom heersend Nederlandse vooroordeel dat Chinezen "een partij verwijfde honden' waren en niet konden vechten.

De thans verschenen editie is een getrouwe en integrale weergave van de eerste uitgave van 1675. De bezorger heeft getracht hetr uiterlijk van de eerste druk te bewaren. Alle oorspronkelijke illustraties van Jan van Aveelen en Jan van Baden zijn op heldere wijze gereproduceerd. Over de waarheidsgetrouwheid daarvan valt overigens moeilijk iets te zeggen.